Recensie

Recensie Beeldende kunst

Gekko’s betoverende houtsnedes ogen als kunstige strips

Beeldende kunst Het Leidse SieboldHuis organiseert de eerste grote expositie van Ogata Gekko buiten Japan. De Japanse kunstenaar blonk rond 1900 uit met kleurige houtsnedes van schoonheden tussen de bloemen.

Ogata Gekko, ‘Herfstbladeren in Takinogawa’ (1896).
Ogata Gekko, ‘Herfstbladeren in Takinogawa’ (1896). Beeld Privécollectie

Een ‘talentvolle buitenstaander’ is de Japanse kunstenaar Ogata Gekko wel genoemd: zijn houtsnedes van rond 1900 wijken af van de gebruikelijke scherpe contouren en grote, heldere kleurvlakken van zulke prenten. In plaats daarvan lijken Gekko’s prenten wel schilderijen, vol zachte kleuren en vloeiende vormen. De omtreklijnen zijn soepel, losjes getrokken.

Voor het eerst is buiten Japan een uitgebreide expositie gewijd aan deze weinig bekende meester van de ‘nieuwe veelkleurige houtsnedekunst’ (shin nishiki-e): in het Japanmuseum SieboldHuis in Leiden hangen zo’n honderd werken van Gekko, met nog een aantal houtsnedes van tijdgenoten, op de expositie Ogata Gekko en zijn tijdgenoten.

Hoogtepunt op de expositie is een serie grote houtsnedes (ongeveer 40 bij 75 cm.) van vrouwen die flaneren in parken en bloementuinen. Soms in de winter, zoals de twee dames in gekleurde kimono’s die een losjes –haast ijl – geschilderd winters pruimenbomenpark in lopen (De ‘gehurkte draak’ - pruimenboom in Kameido, 1895). Of volop in de zomer, waarin vrouwen een ventje de brug over helpen op weg naar de bloeiende blauwe regen in hetzelfde Kameido-park in Tokio.

Gekko’s ‘grootste talent’ is het afbeelden van het alledaagse leven, schrijft Amy Reigle Newland in de catalogus bij de expositie, die ze samen met Chris Uhlenbeck samenstelde. Die laat in een online lezing ook zien hoe Gekko, anders dan zijn voorgangers, veel aandacht aan het landschap schonk in dit soort genrestukken. En vrouwen zijn bij hem ook levensechter, de gezichten wat ronder en minder strak weergegeven dan bij voorgangers.

Ogata Gekko, De ‘gehurkte draak’ - pruimenboom in Kameido (1895). Beeld Privécollectie

Zoon van vuilnisophaler

Gekko (1859 – 1920) groeide op in de tijd dat Japan van een traditionele gesloten maatschappij in korte tijd een moderne samenleving werd, de Meiji-periode, die begon in 1868. Gekko was toen negen, en zijn geboortestad Edo werd toen Tokio, de hoofdstad. Zijn vader was vuilnisophaler, later lantaarnhandelaar. Gekko wilde graag kunstenaar worden, maar hoewel het gezin niet arm was, was er blijkbaar geen geld genoeg voor een kunstopleiding of leertijd in een atelier.

Hij was als kunstenaar autodidact – een zeldzaamheid in traditioneel Japan. Hij maakte illustraties voor kranten (nieuw in Japan) en versierde zijpanelen van riksha’s – tweewielige taxi’s getrokken door een man, erg populair sinds in de Meiji-tijd het verbod op voertuigen met wielen was opgeheven.

De traditionele makers en uitgevers van houtsnedes moesten opboksen tegen nieuwe druktechnieken en foto’s die Japan ineens binnenkwamen. De uitgevers, de motor achter de houtsnedeproductie, begonnen kleurige afbeeldingen van actuele zaken van de kunstenaars te vragen. Daar zag Gekko zijn kans. Op eigen initiatief maakte hij een actuele prent van het debat dat de Japanse politiek beheerste: moeten we Korea wel of niet binnenvallen? De Japanners wilden meer invloed in buurland Korea, dat sterk aan China hing. Gekko’s kleurige prent uit 1877 van debatterende politici, sommige in westerse negentiende-eeuwse uniformen, is nog wat stijfjes getekend. Maar het was een commercieel succes en daardoor kreeg hij uiteindelijk voet aan de grond bij houtsnede-uitgevers.

Lees ook: Meeslepend verstilde Japanse landschappen van Tanaka Ryohei

Soldaten en een dame als vos

Japans pogingen om meer invloed in Korea te krijgen, leidden in die tijd tot oorlogen met zowel Rusland als China; kleurige prenten van heldendaden van de Japanse met kanonneerboten schietende en sabelzwaaiende militairen verkochten als warme broodjes. Gekko maakte er ook veel, zoals is te zien op de expositie. Het lijken nu soms kunstige stripplaatjes van soldaten in Van Speijk-uniformen, die, ook al hakken ze armen van Chinezen af, een 21ste-eeuwse kijker weinig meer zeggen.

Reigle Newland had gelijk toen ze schreef dat Gekko’s grootste talent het afbeelden van het alledaagse leven was, inclusief Japanse historische verhalen en legenden. Prenten van samoerai en andere vechtersbazen zijn er volop. Bijzonder is ook een aantal rolschilderingen die Gekko maakte. Zoals van een liefdesbrievenverkoper, of een schone dame die op een balkon boven het water zit – en haar weerspiegeling verraadt dat ze, zoals de Japanse folklore wil, eigenlijk een vos is.

Toch ligt het expositie-zwaartepunt bij de houtsnedes, voor een groot deel uit een privécollectie uit Tasmanië. De manier waarop de snijders van de houtblokken en drukkers Gekko’s zachte kleuren en geschilderde vormen wisten af te drukken, is fenomenaal. Soms wordt, om het betoverende effect nog te vergroten, glimmend parelmoergruis of een zilver kimonorandje aan de druk toegevoegd.