Opinie

Correspondent in Medialand

Karel Smouter

Een half jaar alweer kijk ik als chef van de mediaredactie van NRC naar de gang van zaken in ‘Medialand’. Ik stelde me toen ik begon voor dat ik door de krant naar een ver buitenland was gestuurd om verslag te doen over wat daar zoal gaande is. Mijn eerste observatie was al gauw deze: men heeft in Medialand de neiging nogal van incident naar incident te hobbelen. In mijn eerste week werd toenmalig president Trump van Twitter gegooid en sindsdien was het eigenlijk geen moment rustig.

Ook dichterbij dan Washington, bijvoorbeeld in Lunteren, kon je zien hoe een persfotograaf met zijn vriendin in een greppel belandde, nadat ze op een 112-melding waren afgekomen. Een andere persfotograaf, in Hoek van Holland, werd tijdens het fotograferen hardhandig aangehouden door een arrestatieteam dat daar aan het oefenen was. En dan zwijg ik nog even over de incidenten bij kerken tijdens een winter vol coronachagrijn, die intussen achter ons ligt.

Nu is een correspondent natuurlijk in de eerste plaats bezig met registreren. Maar de verwondering van een correspondent kan voor de bewoners van het geregistreerde gebied bij tijd en wijlen ook als spiegel fungeren. ‘Is dit echt wie we zijn geworden?’, kon je bijvoorbeeld denken bij het vlijmscherpe portret van Nederland na de Toeslagenaffaire dat vorige week te lezen was in de Financial Times.

Laat ik daarom ook mijn tweede observatie als correspondent in Medialand met u delen. Want als je al die incidenten in Medialand op één hoop veegt, is het haast onmogelijk om de rode draad te missen. Namelijk dat media allerwegen onder vuur liggen. Zeker, tijdens de pandemie nam het vertrouwen in nieuwsmedia iets toe, maar van de nieuwe nieuwsconsumenten – de groep tot en met 24 jaar – blijkt slechts twee op de vijf het nieuws te vertrouwen. Een daling van 16 procentpunt, aldus deze enquête van het Commissariaat voor de Media, onder ruim 2.000 Nederlandse nieuwsconsumenten.

Probeer je dan eens voor te stellen, dacht ik, dat deze generatie straks een omroep krijgt voorgeschoteld die volledig gestoeld is op wantrouwen jegens de media. Sterker nog, dat ze met hun eerst verdiende belastingcenten straks mogen méébetalen aan deze omroep. Dat ondermijnende, want onheuse mediakritiek straks van staatswege gelegitimeerd wordt. Ik heb het natuurlijk over Ongehoord Nederland, de omroep die naar eigen zeggen „uit pure onvrede” is opgericht door NOS-criticaster Arnold Karskens en nu op de drempel van ons omroepbestel staat.

Voor het zover is moet demissionair minister Slob (OCW & Media, ChristenUnie) nog beslissen, maar zijn adviseurs hebben hem – met knarsing der tanden, dat wel – stuk voor stuk positieve adviezen verstrekt. Een ‘nee’ lijkt dan ook onwaarschijnlijk. Al die adviesinstanties móésten wel positief adviseren, stellen ze, want ze missen de criteria op grond waarvan ze een omroep die het bestel niet alleen uitdaagt, maar ook lijkt te willen ondermijnen kan worden geweigerd.

Nu ben ik natuurlijk maar een eenvoudige waarnemer maar bij zoveel gesubsidieerd en, bovendien, luidkeels aangekondigd friendly fire dreigt mijn verwondering toch om te slaan in verbijstering.

Maar nee, lijkt gek genoeg het adagium, laten we vooral even wachten tot het eerste incident rond ON! zich voordoet.

Deze column gaat met zomerstop en zal met ingang van 7 september weer worden hervat.