Opinie

Belgische teruggave koloniale kunst verdient navolging

Roofkunst

Commentaar

Teruggave van koloniale roofkunst is „niet zozeer een juridische als wel een ethische kwestie”. Dat schreef Lilian Gonçalves-Ho Kang You, zelf jurist, afgelopen najaar in haar alom geprezen advies voor de Raad voor Cultuur over de omgang met stukken uit de Rijkscollectie die niet eerlijk verkregen zijn. Dat een ethische kwestie ook met een ogenschijnlijk eenvoudige juridische ingreep gerectificeerd kan worden, bewees de Belgische regering vorige week met het vooruitstrevende besluit om Congo direct eigenaar te maken van alle overduidelijk uit dat land gepikte objecten die in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren liggen. „Alles wat illegitiem verkregen is, is niet van ons”, luidde de even eenvoudige als steekhoudende uitleg van de Belgische staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Thomas Dermine.

De zeker 883 stukken waar het om gaat blijven in eerste instantie in België. Maar het wettig eigendom gaat over naar de Congolese staat. Zodra de Congolezen dat willen, kunnen ze de spullen ook fysiek terugkrijgen. Het is vanuit een oogpunt van bescherming van erfgoed natuurlijk te hopen dat de zeldzame beelden en attributen een toegankelijke en veilige plek in een Congolese collectie krijgen, maar het geeft geen pas aan terugkeer enige voorwaarde te stellen. En dat doet België ook niet. Van zo’n 35.000 andere stukken moet nog vastgesteld worden of ze op geëigende wijze Belgisch bezit zijn geworden. De kans is dus reëel dat de operatie tot nog aanzienlijk meer teruggaves gaat leiden.

Het Belgische besluit staat niet op zichzelf. Wereldwijd is een beweging ingezet om waar mogelijk historisch onrecht te herstellen. Duitsland en het Metropolitan Museum in New York beloofden eerder dit jaar kostbare bronzen beelden uit het West-Afrikaanse koninkrijk Benin terug te geven aan Nigeria en te helpen een lokaal museum op te zetten. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk werken evengoed aan teruggave van uit ex-koloniën geroofde stukken. In Nederland omarmde minister Ingrid van Engelshoven (Cultuur, D66) het advies van de Raad voor Cultuur om de in de Rijkscollectie aanwezige roofkunst onvoorwaardelijk te restitueren.

De Belgische voortvarendheid is niet los te zien van de moeizame wijze waarop dat land de laatste decennia probeert in het reine te komen met zijn koloniale verleden. Het museum in Tervuren, lang het ‘laatste koloniale museum van de wereld’ genoemd, was in debatten vaak een pijnlijk middelpunt. Het museum is opgericht door koning Leopold II, die Congo van 1885 tot 1908 als particulier bezit beschouwde en het land ten koste van miljoenen mensenlevens leegroofde. Tot een ingrijpende renovatie die in 2018 werd voltooid dateerden grote delen van de vaste museumtentoonstelling van vóór de Congolese onafhankelijkheid in 1960. Maar ondanks alle inspanningen om meer context te geven, bleven activisten en wetenschappers de laatste jaren kritiek houden. Het ‘AfricaMuseum’ is nog steeds het musée des autres, luidde een bijtende kritiek.

De nieuwe Belgische regering, die beloofde werk te maken van de omgang met het koloniale verleden, zet nu een grote stap vooruit. Dat gestolen waren terug moeten, is in de museumwereld inmiddels nauwelijks een discussie meer. De vraag bleef steeds hoe. Het grote verschil met de vaak jarenlange procedures elders is dat de Belgische pennenstreek meteen tot andere, meer gelijkwaardige verhoudingen leidt. Het perspectief is omgedraaid: niet België, maar Congo beslist vanaf nu wat er met de stukken gebeurt. Dat is onvermoed baanbrekend en verdient navolging.