Opinie

Vallen en opstaan

Marcel van Roosmalen

Met mijn moeder was het vallen en opstaan. Meer vallen dan opstaan. Maar altijd toch weer opstaan. De weerzin tegen dit leven was soms groot, soms ook niet, maar ze stond altijd weer op. Ze wilde schijnbaar door.

Mijn zus belde de zoveelste onheilstijding door. Per ongeluk met Facetime, ik stond met een bordje bij een lopend buffet in een kasteel bij Zeist. Zij stond met mondkapje voor in de lunchruimte van het ziekenhuis waar ze werkt.

„Waar ben je?”, vroeg ze.

„Een kasteel.”

Geen vervolgvraag, alsof het normaal is dat ik in een kasteel ben.

„Ze is weer helemaal blauw”, zei mijn zus.

„Moet ze geen helmpje?”, vroeg ik.

Ik dacht aan zo’n helm als die van Petr Cech van de voetbalclub Chelsea, die keepte altijd met een helm. Het misstond hem niet.

„Ze viel op haar heup”, zei mijn zus.

Daarna ging ze weer door met haar werk in het ziekenhuis, ik deed de smartphone in de binnenzak en schepte een berg sla op mijn bord.

„Lastig hè, kleintjes”, zei een onbekende vrouw die ergens had gelezen dat ik meerdere kinderen heb. „Die van mij mag geen skateboard, ook niet met helm. Hoorde ik je vrouw nou ‘helemaal blauw’ zeggen? Ik zou toch even naar de dokter gaan.”

Ik zei dat het mijn zus was en dat het over mijn moeder ging.

Meteen die gewijde stilte. De vrouw begon zich hardop af te vragen waar ze zich eigenlijk mee bemoeide.

Ik had daar ook geen antwoord op.

Evenzogoed vond ze het wel vreselijk.

„Vallen en opstaan”, zei ik. „Het valt wel mee.”

Zij: „Valt wel mee, valt wel mee… Helemaal blauw toch?”

„Ik bedoel dat het voor mij wel meevalt”, zei ik. „Ik ben eraan gewend.”

Zij: „Hoe kun je daar nou aan wennen?”

Ja, dat wist ik ook niet, maar het was wel zo.

Daarna gebeurde wat meestal gebeurt.

„Nou, ik zou er niet aan kunnen wennen, hoor”, zei de vrouw. „Als mijn moeder zo zou vallen… Maar goed die gaat vooralsnog hartstikke goed. Die organiseert binnenkort gewoon weer een dinertje…”

Ze klopte met haar knokkels op het hout van een tafel.

„Even afkloppen…”

We scharrelden verder langs het buffet, zwijgend, maar bij de soepen haalde ze me nog in om te zeggen dat ze het toch niet prettig zou vinden als ik me haar zou herinneren als een vrouw die zich ongevraagd met van alles bemoeit.

Ik zei dat dat niet zo was omdat ik niet wist wie ze was.

Een nieuw inzicht daalde in.

Ze herpakte zich en vroeg: „Hoe is het met je kinderen?”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.