Opinie

Rutte mag de formatie niet om tactische redenen frustreren

Kabinetsformatie

Commentaar

Deze week is het honderd dagen geleden dat de Tweede Kamerverkiezingen werden gehouden. Die periode is langer dan de gemiddelde duur van een kabinetsformatie (94 dagen), en al twee keer zo lang als de formatie van het tweede kabinet-Rutte (52 dagen). Een kabinet is nog niet in zicht. Er wordt nog niet eens onderhandeld. Informateur Mariëtte Hamer heeft de leiders van VVD en D66, Mark Rutte en Sigrid Kaag, aan het werk gezet om een document te schrijven dat als basis kan dienen voor een regeerakkoord. Andere partijen die eventueel mee gaan formeren, mogen intekenen op dat stuk. maar dat zal pas medio augustus zijn. Na het schrijven gaat Den Haag nog een paar weken op slot, want iedereen is aan vakantie toe.

De traagheid van de formatie valt op geen enkele manier te rijmen met de urgentie die er vóór de verkiezingen was om snel weer een regering te vormen. Het was crisis, en het land mocht niet stuurloos worden. „Niemand zal ervoor pleiten om midden in de crisis eens zes maanden te gaan praten over drie cijfers achter de komma van het Provinciefonds”, spotte Rutte begin maart op Radio 1. De coronacrisis voelt in Den Haag misschien minder urgent, maar is verre van opgelost. Er wordt uitgesteld, informateur na informateur treedt aan, zonder dat er een goede reden wordt gegeven waarom dat nodig is. Hamer constateert in haar eindverslag „een behoorlijke mate van inhoudelijke overeenstemming over de contouren van het te voeren beleid” bij zes middenpartijen.

Mark Rutte lijkt het tactische belang te zien van een zo traag mogelijke formatie. Hoe langer de gesprekken duren, des te minder zijn de emoties en bezwaren op hem gericht. De langzame draai van de ChristenUnie – eerst tégen samenwerking met Rutte, inmiddels voorzichtig neigend naar vóór – is daar een goede illustratie van. Maar hoewel hem dit op korte termijn politiek handig uitkomt, pakt dit voor de langere termijn wel verkeerd uit. Zijn derde kabinet is al sinds januari demissionair, beleidsmatig staat Den Haag grotendeels stil. Niet alleen corona, maar ook stikstof, de woningbouw, het klimaat, het onderwijs en tal van andere beleidsterreinen schreeuwen om keuzes, om richting – om beleid dus. Deze impasse mag niet zo lang duren. Zeker niet omdat de obstakels deze keer niet per se veel ingewikkelder zijn dan bij andere formaties. Argumenten die worden gegeven om alles op te houden, lijken gelegenheidsexcuses.

De VVD wil wel een meerderheidscoalitie vormen, maar wil die niet vormen met twee linkse partijen, GroenLinks en PvdA. Die partijen willen alleen gezamenlijk optrekken in een formatie. Het probleem is niet zozeer inhoudelijk, zei Rutte deze week in de Tweede Kamer, maar heeft te maken met de nieuwe bestuurscultuur die zo gewenst is in Den Haag. Voor een meerderheid zijn vier partijen nodig, niet vijf. Schuiven GroenLinks én de PvdA aan, dan klontert het politieke midden samen in een coalitie, zei Rutte. En hij wil juist dat er polarisatie en debat in het midden ontstaat, zodat kiezers de verschillen zien, niet tussen het midden en de flanken.

Deze redenering houdt geen stand. Ruttes oplossing voor een nieuwe bestuurscultuur bestaat uit een krappe meerderheidscoalitie, waar geen Kamerlid van een coalitiepartij meer een dissident standpunt kan innemen. Straks komt de meerderheid in gevaar. Wil hij meer ruimte voor verschil in het midden, dan zou hij een brede coalitie juist moeten toejuichen. Het staat Rutte als winnaar van de verkiezingen vrij te onderhandelen met wie hij wil. Maar de terechte wens voor een opener bestuursstijl in Den Haag mag niet misbruikt worden om het formatieproces te vertragen.