Illustratie Midas van Son

Analyse

Nederland is een ongelijk land. Nee hoor, Nederland is een heel gelijk land. Hoe zit het nou?

Kijk op Nederland Eindeloze discussies worden erover gevoerd: is Nederland een gelijk of een scheefgroeiend land? Opponenten bestoken elkaar met statistieken. Maar wie goed kijkt, ziet dat de sociale kloven verdiepen. De dubbele ziel van Nederland ontrafeld.

Ja hallo, hoe zit het nou? Is Nederland nog steeds een heel gelijk land? Of een land dat snel scheefgroeit? Wie de laatste maanden het debat over de Hollandse ongelijkheid volgt, kan makkelijk verdwaald raken in lange, gedetailleerde discussies over statistieken. Neem twee boeken die vorig jaar uitkwamen. Beide overtuigend en met feiten onderbouwd, maar met een volstrekt andere kijk op Nederland. Het ene boek ziet Nederland als een paradijs van gelijkheid en groeiende welvaart. Het andere boek ziet een land waarin de welvaart steeds schever verdeeld wordt en de ongelijkheid toeneemt. Alsof je een speciale bril opzet waardoor je de wereld plots heel anders ziet. De positieve blik op Nederland komt van Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het Centraal Bureau voor de Statistiek, in zijn boek Met ons gaat het nog altijd goed: 8 sombere mythes over Nederland ontrafeld. Een van die mythes weerspreekt Van Mulligen in hoofdstuk drie: Waarom de ongelijkheid niet gegroeid is. Hij laat met statistieken zien dat ons geheugen kort is en we onze welvaart onderschatten. We zijn welvarender dan ooit, – ja, ook de gewone Nederlander. „Of je nu naar inkomens of vermogens kijkt, niets wijst erop dat de rijken rijker en de armen armer zijn geworden.” Integendeel, schrijft Van Mulligen, de groep die „sinds mensenheugenis de armste van Nederland was” (gepensioneerden), is er de afgelopen decennia het meest op vooruitgegaan.

De negatieve blik komt van journalist Sander Heijne en van adviseur en onderzoeker Hendrik Noten in hun boek Fantoomgroei: waarom we steeds harder werken voor steeds minder. Zij laten zien dat de gemiddelde Nederlander inderdaad in grotere luxe leeft dan in de jaren tachtig. Maar die welvaart is vaker op de pof, en ongelijker verdeeld. Ze schetsen een economie waarin het makkelijker is geworden om geld te verdienen zónder ervoor te werken, bijvoorbeeld via de overwaarde van een huis. En waarin werken minder zekerheid biedt. De auteurs tonen dat welvaart wordt gecreëerd door de samenleving als geheel – door werkende mensen, de overheid en bedrijven samen. Maar dat een groter deel van die welvaart terechtkomt bij grote bedrijven en hun aandeelhouders. Volgens de auteurs zijn bedrijven als Philips de ster geworden in een stelsel waarin risico en onzekerheid zijn verschoven naar kleinere bedrijven, zzp’ers en flexwerkers. „Personeel is op een aantal plekken gereduceerd tot een grondstof, in plaats van een belangrijk radertje in het wederzijds afhankelijke systeem van een welvarende samenleving.”

Dubbele ziel

Beide boeken maken indruk, beide bevatten doorwrochte analyses die stevig onderbouwd zijn met feiten, maar de kijk op Nederland is volstrekt anders. Hoe kunnen de analyses zo diametraal verschillen?

Voor een deel ligt dat aan het perspectief dat ze hanteren. Van Mulligen beziet alle Nederlanders, Heijne en Noten vooral werkende mensen. Van Mulligen kijkt naar de woningmarkt en wijst erop dat meer Nederlanders nu een eigen huis hebben: ruim de helft van de huishoudens. Begin jaren zeventig was dat nog één op drie. Meer welvaart dus voor meer mensen. Heijne en Noten kijken naar de woningmarkt en wijzen erop dat het steeds makkelijker wordt geld te verdienen zónder ervoor te werken. De overwaarde op huizen valt toe aan private eigenaren maar is collectief gecreëerd, bijvoorbeeld door met belastinggeld buurten op te knappen en veiliger te maken. Beide analyses kunnen eenvoudigweg tegelijk waar zijn: meer Nederlanders hebben een eigen huis, maar wie dat niet heeft, is geen spekkoper. Breder verspreide welvaart én een grotere kloof.

Op de internationale ranglijsten springt Nederland er twee keer uit. Als een zeer gelijk land als het om inkomen gaat. En als een zeer ongelijk land als het om vermogen gaat

En als het om ongelijkheid gaat, dan hééft Nederland ook een dubbele ziel. Op de internationale ranglijsten springt Nederland er twee keer uit. Als een zeer gelijk land als het om inkomen gaat. En als een zeer ongelijk land als het om vermogen gaat.

Zie je wel!, zeggen degenen die in Nederland een ongelijk land zien over de grote vermogensongelijkheid. Ho, ho, ho, zeggen de gelijkheidszieners, het uitzonderlijk grote vermogen dat in pensioenfondsen zit, verzacht die ongelijkheid. Waar huishoudens in andere landen zelf sparen voor hun pensioen, en dus vermogen aanhouden, hoeft dat in Nederland voor velen niet. Het pensioenfondsvermogen telt echter niet mee in de ongelijkheidscijfers. Dat vergroot in de statistieken de ongelijkheid, maar in de praktijk niet.

Lees ook: Als je het pensioen meerekent, valt de ongelijkheid wat lager uit

Toch is ook die redenering te makkelijk. Er zijn in Nederland steeds meer flexwerkers en zzp’ers. Een deel van hen kan geen aanspraak maken op een pensioen uit een pensioenfonds. De flexwerkers met een laag inkomen hebben vaak ook weinig vermogen. Ze zijn dubbel kwetsbaar dus. En een voorbeeld van ongelijkheid.

Zo valt er over elke statistiek een lang en genuanceerd verhaal te vertellen.

Krenterigheid van bedrijven

In april clashten de twee visies op Nederland opnieuw. Van Mulligen publiceerde een artikel op de website van het CBS dat veel kritiek kreeg. Daarin zet hij de cijfers voor de afgelopen vijftig jaar op een rijtje. „Klopt het beeld dat het inkomen van Nederlanders is achtergebleven bij de groei van de economie?” vroeg hij zich daarin af. Zijn antwoord was: nee. Hij weerspreekt in het stuk een veelgeciteerd artikel van de Rabobank uit 2018, waarin de economen van de bank berekenden dat het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens al veertig jaar vrijwel stilstaat. De groei van het inkomen bleef sterk achter bij de economische groei, schreef de Rabobank, terwijl de winstgevendheid van bedrijven steeg.

De Rabo-economen stonden bepaald niet alleen: vele onderzoeksinstituten, zoals het Centraal Planbureau, het Sociaal en Cultureel Planbureau én het CBS zelf, kwamen in tal van publicaties met deels vergelijkbare bevindingen, vaak over een kortere periode dan veertig jaar. Lonen en inkomen bleven sinds 2000 achter, terwijl de winsten van bedrijven toenamen. Ook centraal bankier Klaas Knot en VVD-premier Mark Rutte bekritiseerden bedrijven om de karige groei van de lonen.

Niet alleen de achterblijvende inkomens nuanceerde Van Mulligen in april, ook de krenterigheid van bedrijven. Volgens de CBS-econoom stegen de inkomens de afgelopen vijftig jaar juist fors. Dat zie je niet alleen in de statistieken, schreef Van Mulligen, dat zie je ook als je om je heen kijkt. De toegenomen welvaart springt direct in het oog. Meer mensen bezitten een auto, een computer, een iPhone. Buitenlandse vakanties en uit eten gaan zijn veel normaler geworden dan dat allemaal in 1980 was.

Alleen tussen 2001 en 2008 bleef het inkomen van huishoudens achter bij de economische groei, constateerde Van Mulligen. Maar dat kwam níét door krenterige bedrijven die de lonen niet lieten stijgen. Het kwam door de hogere zorguitgaven van de overheid die via zorgpremies en belastingen op de besteedbare inkomens van mensen drukten.

Meer mensen bezitten een auto, een computer, een iPhone. Buitenlandse vakanties en uit eten gaan zijn veel normaler geworden dan dat allemaal in 1980 was

Het artikel ontlokte een golf van kritiek. Van Mulligen werd verweten de groeiende ongelijkheid weg te redeneren. De Rabo-economen erkenden in een reactie ruiterlijk dat de nieuwe CBS-gegevens hun conclusie uit 2018 weerleggen. Maar niet geheel. „Het verschil tussen deze oude en nieuwe reeks verandert de conclusie gedeeltelijk, namelijk dat het inkomen per huishouden niet stagneert sinds 1977 maar ‘pas’ sinds 2001”, schreef de Rabobank. Of zoals hoogleraar economie Dirk Bezemer in de Volkskrant schreef: de inkomens bleven tussen 2001 en 2008 achter, én na 2013, toen de werkloosheid laag was en de economie bloeide, trokken de lonen niet bij. Kortom, de periode is misschien korter, maar er is nog steeds wel wat aan de hand. Wat leert ons dit nou over Nederland?

Een waslijst aan zorgen

Eerlijk gezegd weinig. De discussie over achterblijvende inkomens gaat over de verdeling van de economische groei tussen huishoudens, bedrijven en de overheid. Interessant, relevant, maar hoogstens een deel van het verhaal. Ongelijkheid gaat ook over de verdeling van welvaart binnen de groep huishoudens. (Of binnen de groep bedrijven, tussen grote en kleine bedrijven bijvoorbeeld.)

Ook daar is op het eerste gezicht de ongelijkheid nog steeds laag. „Als je kijkt naar de verdeling van koopkracht naar inkomensgroepen, is Nederland nog steeds een van de meest gelijke landen ter wereld,” zegt Pieter Hasekamp, directeur van het Centraal Planbureau (CPB) en tot 2020 ambtenaar op het ministerie van Financiën. Goede zorg, voor iedereen toegankelijk, is ook een vorm van gelijkheid.

Toch heeft Hasekamp een waslijst aan zorgen. Allereerst omdat de inkomens vóór belastingen, de primaire inkomens in jargon, steeds schever worden. Nederlanders hechten aan gelijkheid. Daarom zorgt de overheid via belastingen op inkomen dat relatief veel geld wordt herverdeeld tussen rijk en arm.

De toeslagen moeten kwetsbare mensen in hun inkomen een steun in de rug geven, maar vaak brengen juist die toeslagen mensen in financiële problemen

Hasekamp: „Maar om de inkomens redelijk gelijk te houden, moet de overheid steeds meer geld herverdelen. Dat is ingewikkeld en gaat gepaard met wrijving. Je moet geld eerst ophalen en dan weer uitdelen. Dat kan ook misgaan, zoals bij de Toeslagenaffaire.” Kwetsbare burgers werden ten onrechte beschuldigd van fraude met de toeslagen. Ontzettend pijnlijk, maar het probleem met de toeslagen is breder. De toeslagen moeten kwetsbare mensen in hun inkomen een steun in de rug geven, maar vaak brengen juist die toeslagen mensen in financiële problemen. Omdat ze worden uitgekeerd als voorschot en vaak later moeten worden terugbetaald.

Daarom, zegt Hasekamp, is het begrijpelijk dat veel politieke partijen het minimumloon willen verhogen: zo grijpt de overheid in bij het primaire inkomen, voor belastingen dus. Dat is misschien wel minder schadelijk dan steeds maar meer geld innen en uitdelen.

Ongelijke kansen en zekerheden

Ongelijkheid manifesteert zich tegenwoordig bovendien op een andere manier. Kansen en zekerheden raken steeds ongelijker verdeeld, constateert Hasekamp. Op de arbeidsmarkt groeit de groep flexwerkers (weinig verdienende zzp’ers of mensen met een tijdelijk contract). „Het wordt voor jongeren, mensen met een migratie-achtergrond en lageropgeleiden steeds moeilijker om een vast contract te krijgen.” Was in 2003 nog iets minder dan een derde van de mensen met een lagere opleiding flexwerker, inmiddels gaat dat richting de helft, schat Hasekamp. Vaak blijven mensen in flexbanen hangen.

De sociale kloof tussen flexwerkers en mensen met vast contract groeit bovendien. Juist de mensen die het sterkst staan, genieten bescherming. Flexwerkers hebben minder zekerheid, ze worden sneller ontslagen en krijgen minder geld mee. Hun sociale zekerheid is kariger. Er wordt door werkgevers minder geïnvesteerd in hun scholing, hun buffers zijn lager en de kans op een koophuis ook. Uitzondering zijn de veelverdienende, hoogopgeleide zzp’ers.

Tegelijkertijd neemt de kansenongelijkheid voor kinderen in Nederland toe. Het maakt meer dan voorheen uit hoe rijk het gezin is waarin je wordt geboren. Het CPB toont zich daar de afgelopen jaren zeer bezorgd over. Hasekamp: „Onderwijs is toch de grote gelijkmaker. Nederland doet het nog steeds relatief goed, maar al wel minder goed dan Scandinavië. De kansen van kinderen van armere ouders nemen af om later zelf meer te verdienen. Bij kinderen van rijkere ouders nemen die juist toe. Tussen 2005 en 2015 is de trend duidelijk verslechterd. Dat zie je pas over twintig jaar terug in de inkomens, als deze kinderen zijn gaan werken. Welvaart wordt zo erfelijk.”

Lees ook: CBS: de rijken worden rijker, de armen ook (een beetje)

Welvaart is in Nederland ook op een andere manier erfelijk. Op de woningmarkt neemt de ongelijkheid toe tussen jonge mensen die ouders hebben met en zonder vermogen. Degenen die wat geld van hun ouders kunnen inzetten, maken meer kans op een huis, en meer kans om zelf te profiteren van de stijgende huizenprijzen. Hasekamp: „Door onze pensioenfondsen is de vermogensverdeling in de praktijk wat gelijker dan op papier, maar ik heb het idee dat de verschillen tussen de boven- en de onderkant toenemen. Dat is lastig om hard te maken, want cijfers zijn moeilijk om te vinden. Maar we hebben onlangs nog gezien dat er veel meer vermogen bleek te zitten in bv’s van directeur-grootaandeelhouders, dga’s, dan eerder was aangenomen.” Bijna twee keer zoveel om precies te zijn, ontdekten ambtenaren van de Belastingdienst en het ministerie van Financiën: 368 miljard euro. Maar liefst 96 procent van dat vermogen van grootaandeelhouders en dga’s was in handen van de 10 procent meest vermogende huishoudens van Nederland, becijferde het CBS in april.

Beleid dat niet helpt

Als je dit allemaal optelt, zie je een land waar de sociale ongelijkheid toeneemt. En waar alle reden is te verwachten dat het verder toeneemt bij het huidige beleid. Waar de kloven groeien tussen kansrijk en kansarm, tussen hoog- en lageropgeleid, tussen mensen met en zonder een migratie-achtergrond, en ja ook tussen arm en rijk, want dat gaat vaak samen. Hasekamp: „De mobiliteit tussen de verschillende groepen neemt óók af. In het verleden groeiden meer mensen van de onderkant naar boven. Je ziet de verschillen nu zichzelf versterken en bestendigen.”

Die groeiende kloven zie je ook terug in de onderzoeken naar tevredenheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Kijk naar de hele bevolking en je ziet een stabiel tevreden beeld: Nederlanders geven hun leven gemiddeld ongeveer een 8 min de afgelopen tien jaar. Maar daaronder drijven de aardplaten uit elkaar. De groep mensen groeit die zijn leven een 6 of minder geeft. Net als de groep die het leven met een 9 of hoger waardeert.

Ook het beleid heeft een dubbele ziel, ziet Hasekamp. „Heel veel prikkels staan in de richting van meer ongelijkheid, in inkomen en vermogen. Dat wordt dan weer aan de achterkant gerepareerd met herverdelen, maar dat lijkt niet de meest logische manier om met het probleem om te gaan.”

Het belastingstelsel is een voorbeeld van beleid dat ongelijkheid stimuleert. De belastingvoordelen voor directeur-grootaandeelhouders in box 2 van het belastingstelsel werken belastingontwijking en vermogensongelijkheid in de hand, concludeerden ambtenaren van het ministerie van Financiën in 2020. Er wordt minder belasting over het vermogen van 400.000 huishoudens in box 2 betaald dan de ongeveer 3 miljoen spaarders en beleggers in box 3 doen. Wie het kan betalen, huurt een belastingadviseur in, „waardoor vooral over grote vermogens en inkomens belasting wordt ontweken”. Hasekamp heeft nog een voorbeeld: „In de erfbelasting zit een riante faciliteit voor de allerrijkste Nederlanders, namelijk degenen met een familiebedrijf, om eigenlijk vrijwel onbelast vermogen over te dragen naar de volgende generatie.”

Onverdiend inkomen

Om te zien dat er iets scheefgroeit, hoef je helemaal niet te betogen dat huishoudens al veertig jaar in hun besteedbare inkomen achterblijven. Wat het boek Fantoomgroei beschrijft, is wat diverse economen ook zien: dat het kapitalisme in het Westen niet werkt voor iedereen, dat er makkelijke winsten zijn voor sommigen, niet per se degenen die hard werken of risico nemen. Onverdiend inkomen, noemde econoom en hoogleraar Bas Jacobs dat vorig jaar in een overtuigende artikelenreeks over het westerse kapitalisme in Vrij Nederland. „Inkomen dat is verdiend zónder dat daar een economische inspanning tegenover staat.”

Idealiter belast je onverdiend inkomen meer dan verdiend inkomen uit hard werken en risico nemen. Maar in Nederland is het nu eerder andersom

Onverdiend inkomen wordt volgens Jacobs een steeds belangrijker deel van het inkomen van de welgestelden doordat de marktmacht van bedrijven toeneemt (en daarmee overwinsten), doordat flexibele werknemers steeds meer bedrijfsrisico’s dragen. En doordat „risico’s in de financiële sector worden afgewenteld op de samenleving en onroerend goed een steeds belangrijker vehikel is geworden voor vermogensopbouw”. Tegelijkertijd, schrijft Jacobs, betalen aandeelhouders en bedrijven „een kleiner deel van hun inkomen aan belasting door een race naar de bodem in de belastingen op vermogenden en bedrijven”.

Idealiter belast je onverdiend inkomen meer dan verdiend inkomen uit hard werken en risico nemen. Maar in Nederland is het nu eerder andersom. Inkomen uit kapitaal wordt licht belast, vermogensopbouw in huizen zelfs gesubsidieerd. Het beleid helpt de ongelijkheid kortom een handje mee.

Zo blijven dubbeltjes vaker dubbeltjes en worden kwartjes makkelijker guldens

Dus wat is het nou? Is Nederland nog steeds heel gelijk of groeit er van alles scheef?

Nederland mag nog in allerlei opzichten een gelijk land zijn, en veel alarmerende statistieken over ongelijkheid verdienen het om te worden genuanceerd. Toch is er alle reden om buitengewoon ongerust te zijn. Natuurlijk zullen er altijd verschillen zijn, maar in Nederland worden we slechter in het optillen van degenen die beginnen met een achterstand. Het maakt weer meer uit in welk gezin je wordt geboren. Wie kansrijk is, krijgt bijna automatisch nog wat opkontjes. Wie kansarm is, krijgt wat extra hindernissen toegeworpen. Als je wint, zit de wind vaker mee, als je verliest vaker tegen. Zo blijven dubbeltjes vaker dubbeltjes en worden kwartjes makkelijker guldens. Dus ja, als we niet oppassen, groeit er van alles verder scheef.