Kunnen wilde dieren last hebben van een allergie?

Durf te vragen „Wilde zoogdieren hebben hetzelfde immuunsysteem als wij. Dat kan dus ook best een keertje uit de bocht vliegen.”

Een chimpansee met een allergie... je hoort er nooit over.
Een chimpansee met een allergie... je hoort er nooit over. Foto Reuters

Je leest er nooit over: een chimpansee met vijgenallergie of een hert met hooikoorts. Raar eigenlijk. Sommige katten en honden zijn allergisch voor bepaald voedsel of voor stoffen in huis of in de stad. Waarom zouden wilde dieren niet allergisch kunnen zijn voor stoffen die van nature in hun omgeving voorkomen?

Jooske IJzer, dierenarts-patholoog bij het Dutch Wildlife Health Centre van de Universiteit Utrecht, vindt het een leuke vraag. „Ik heb zelf nooit een geval op mijn snijtafel gehad, of onder de microscoop, waarvan ik zeker wist: dit is een allergie”, zegt ze, „maar dat betekent natuurlijk niet dat het niet voorkomt.”

Sterker nog: IJzer ziet geen reden waarom het niet zou kunnen. „Wilde zoogdieren hebben immers hetzelfde immuunsysteem als wij. Dat kan dus ook best een keertje uit de bocht vliegen.”

Genetische component

Maar bij wilde dieren zullen allergieën snel uitselecteren, merkt ze op. Er zit vaak een sterke genetische component aan. „Een hert met hooikoorts zal minder goed kunnen ademen, minder goed kunnen rennen, kwetsbaarder zijn voor roofdieren en minder tijd kunnen besteden aan eten. Gemiddeld zal zo’n hert dan minder nakomelingen krijgen.”

IJzer legt uit hoe ze een wild dier onderzoekt dat dood bij het DWHC wordt binnengebracht. „We bekijken het dier zorgvuldig aan de buitenkant. Dan zou je bijvoorbeeld geïrriteerde slijmvliezen of een rode huid kunnen zien”, vertelt ze. „Maar die kunnen ook duiden op een parasitaire infectie.” Om dat nader te onderzoeken, bekijkt ze flinterdunne weefselmonsters – coupes – onder de microscoop. „Dan kun je zien welke immuuncellen er bij een afweerreactie betrokken zijn. Maar ook hier zien we een overlap tussen allergie en infectie.”

Laten we de vraag dan omdraaien: waarom mensen en hun huisdieren wél allergisch kunnen zijn. Allereerst omdat de aandoening zich bij hen niet zo snel uitselecteert. Natuurlijke selectie heeft in recente eeuwen steeds minder vat op mensen en hun huisdieren, dankzij de beschikbaarheid van goed voedsel, medicijnen en huisvesting en de afwezigheid van roofdieren. „Maar evolutie voltrekt zich over het algemeen over honderden generaties”, merkt IJzer op, „terwijl we bij mensen in de afgelopen twee, drie generaties sterke veranderingen hebben gezien als het gaat om allergieën.”

Onvoldoende getraind

Waarom zijn mensen en hun huisdieren de afgelopen decennia eigenlijk zoveel allergischer geworden? Het aantal mensen met eczeem is in de afgelopen 20 jaar in geïndustrialiseerde landen met een factor 2 tot 3 toegenomen; 10 tot 40 procent van de Europeanen is nu ergens allergisch voor, en dat zal in 2025 waarschijnlijk de helft zijn. De verklaringen voor die toename lopen uiteen. Een ervan is de hygiënehypothese , die stelt dat we te ‘schoon’ zijn gaan leven, waardoor ons immuunsysteem onvoldoende getraind is. Maar die hypothese staat steeds meer onder druk.

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat klimaatverandering en veranderingen in ons dieet de allergieën in de hand werken, zowel bij mensen als bij hun huisdieren. En omdat zij vaak in dezelfde omgeving wonen, blijken zij veel allergieën met elkaar te delen – vooral in stedelijk gebied. Voor wilde dieren gaan al die factoren minder op.

„Maar nogmaals, ik kan niet uitsluiten dat wilde dieren toch allergieën hebben”, besluit IJzer. „We weten dat ze individuele voedselvoorkeuren kunnen hebben. Misschien hebben die soms met allergieën te maken. Over het algemeen mijden dieren voedsel waar ze niet goed op reageren – hoewel er in de natuur vaak niet veel te kiezen is.”