Oranje-supporters tijdens de EK-finale Nederland - Sovjet Unie in 1988 in München.

Foto ANP

Reportage

In het spoor van Oranje naar Boedapest

Treinreis naar Boedapest In het hart van Europa zijn sporen te vinden van de grote Nederlandse voetbalsuccessen. Op naar EK-stad Boedapest, via München en Wenen.

Precies een etmaal na de derde overwinning van het Nederlands elftal op het EK is mijn reis begonnen. Het is dinsdagochtend. In een gestroomlijnde coupé van Deutsche Bahn zoef ik van de ene speelstad Amsterdam naar de andere. Langs grazende koeien, langs boerderijen, voorbij de Duitse grens, steeds sneller in zuidoostelijke richting.

Net als Oranje ga ik naar Boedapest. De stad waar het zondag moet gebeuren. De Puskas Arena. Achtste finale EK. De eerste knock-outwedstrijd van Nederland in zeven jaar tijd, na twee gemiste eindtoernooien op rij. Zijn we halverwege een zegetocht, of is de voetbalfan na zondag een illusie armer?

Voor me op tafel ligt het boek 1988; Wij hielden van Oranje. Een reconstructie van het eerste en enige door Nederland gewonnen eindtoernooi, van Auke Kok. Hoe systeemdenker Rinus Michels nerveus kon worden als zijn vrije jonge spelers tactische afspraken dreigden te vergeten, wereldster Ruud Gullit waakte voor tweespalt tussen de vedetten en mindere goden van het team, en reservespits Wim Kieft het van huis zijn gaandeweg beu was geworden, voordat uitgerekend hijzelf Oranje naar de finalerondes knikte.

Allemaal voor mijn tijd. Als begin dertiger kan ik me slechts inbeelden hoe het moet zijn geweest om als land de beste te zijn. Ik moet het hebben van het collectieve geheugen. Van de onuitputtelijke schat aan beelden, boeken en verhalen. En anekdotes zoals die van de teamgenoot van mijn vader, die zonder kaartje toch de finale zag, nadat hij een buiten wachtende supporter in een rolstoel het Olympiastadion binnenreed – voor zover dit verhaal écht klopt.

Buiten Nederland maakten de spelers al net zo’n onuitwisbare indruk. De voormalige eigenaresse van het familiehotel waar Oranje voor de finale in München verbleef, zal me in een Beierse biergarten vertellen dat haar zoon naar een van de Europese kampioenen is vernoemd.

München, een van de elf speelsteden dit EK, is een van mijn tussenstops op weg naar Boedapest. Later deze week zullen nog veel meer Nederlanders naar Hongarije reizen. Vijf- tot tienduizend. Mits negatief getest.

Hongarije mag dan het enige gastland zijn waar de tribunes ondanks corona helemaal vol zitten, het land zelf zit nagenoeg op slot. Om toeristen en gelukszoekers te weren is aan de grens een papieren gordijn opgetrokken, wat voor mij betekent dat ik naast mijn toernooiaccreditatie moet beschikken over een toestemmingsformulier van het Hongaarse ministerie, een persoonlijke invitatie van de Hongaarse voetbalbond en een Excelsheet met mijn paspoortnummer en mijn datum van inreizen.

Last but not least: een negatieve PCR-test. Met international reiscertificaat.

Door de beperkingen heb ik maandag twee coronatests in een halfuur ondergaan. Een sneltest om ’s avonds de wedstrijd van Oranje in de Arena te bezoeken. Een PCR-test, die in een laboratorium wordt uitgelezen, als entreebewijs voor Duitsland en Oostenrijk, waar hotels en bars je alleen met een negatief testbewijs toelaten. In München wacht me deze dinsdag weer een nieuwe PCR-test, aangezien de eerste alweer is verlopen als ik donderdag volgens planning in Hongarije aankom.

Halte 1

München

Een klamme, warme deken heeft zich over München gevouwen. Terwijl vrijwilligers in felblauwe Euro 2020-outfits klaarstaan om voetbalsupporters de weg in de EK-speelstad te wijzen, staan daklozen onder de gepleisterde hoogbouw in de rij voor een gratis maaltijd.

In deze stad schreef het Nederlands elftal historie. Zaterdag 25 juni 1988. De avond ervoor vergaapten de spelers zich nog aan Whitney Houston in de Olympiahalle. Dat kon toen nog. Net zoals de Deense internationals in 1992 met z’n allen naar McDonald’s gingen in aanloop naar hun gewonnen halve finale tegen Nederland – later wonnen ze het EK.

„De sfeer bij Nederland was ook zo ontspannen.” Ze zit verguld op het terras van de Hofbräukeller in de Innere Wiener Straße. Ze heet Simone Huber-Kopp en was dertien jaar toen haar ouders in 1988 het Nederlands elftal verwelkomden in hun familiehotel in Unterhaching, net onder München.

„Ik kwam van school en zag dat er agenten voor het hotel stonden. Ik mocht er niet in. ‘Maar ik woon hier’, zei ik. ‘Ja dat zal best’, zeiden ze. Moest mijn moeder vervolgens vertellen dat ik haar dochter was.”

Uit haar tas haalt ze fotoalbums en plakboeken vol met aandenkens aan de drie dagen dat Oranje in het 75 kamers tellende hotel verbleef. Omdat ze lang op zolder hebben gelegen, heeft ze wat geurdoekjes tussen de foto’s gestopt. Op een ervan zitten John Bosman, John van ’t Schip, Marco van Basten en Wim Kieft aan het ontbijt. Pistoletjes en pakken hagelslag op tafel. Kannetje koffie.

Simone Huber-Kopp was dertien jaar toen haar ouders in 1988 het Nederlands elftal verwelkomden in hun familiehotel in Unterhaching, net onder München.
Foto’s Fabian van der Poll

„Het waren drie dagen, maar het voelde als drie weken”, vertelt ze. Haar ouders Hans en Hildegard Huber waren enorm trots geweest. Ze hadden tientallen voetbalteams te logeren gehad (Anderlecht, Borussia Dortmund, West-Duitsland), maar bij geen daarvan was de sfeer zo losjes als bij het Nederlands elftal. Bij terugkomst na de halve finale overhandigde Hildegard een grote bos bloemen aan Michels. Later zou haar moeder nog verschillende brieven van Nederlandse voetbalfunctionarissen ontvangen. Terwijl zij ze voorleest, zegt ze: „Dit klinkt bijna romantisch, vind je niet?”

Een verdieping boven de zaal waar Michels de pers ontving, maakte zij haar huiswerk. Maar liever hing ze in de tuin rond, pingpongend met de Nederlandse spelers. „Ze waren zo grappig, zo aardig ook. Vooral Van Basten herinner ik me nog goed. Die liep fluitend door het hotel. Door hem heb ik ook mijn eerste zoon Marco genoemd.”

Tussen de aandenkens zitten ook de door Michels gemaakte dagindelingen die in het hotel aan de muur hingen. Een goudmijn op Marktplaats, maar ze peinst er niet over ze van de hand te doen. Het hotel bestaat intussen niet meer. Na haar ouders heeft zij het nog vijftien jaar bestierd, totdat ze in 2011 de grond verkocht voor woningbouw.

„Nog steeds belt mijn moeder me op als het Nederlands elftal speelt. We zijn altijd voor jullie blijven juichen.”

Een dagindeling van Oranje in het handschrift van bondscoach Rinus Michels, en op de foto met de eigenaresse van het hotel.
Foto’s Fabian van der Poll

Halte 2

Wenen

Aan het einde van het gesprek vertelde Simone nog dat ze jaloers is op het Nederlandse enthousiasme als Oranje speelt. Duitsers, vonden zij en een aangeschoven vriend genaamd Oliver, dragen dat minder uit. Geen versierde straten, geen vlaggen op balkons. „In sommige wijken van grote steden bekrassen ze je auto als er Duitsland-merchandise te zien is. Samen juichen is geen vanzelfsprekendheid.”

Het is iets dat ik ook in Oostenrijk zal horen. Het is inmiddels woensdag en vanaf Wien Hauptbahnhof verlaat ik per tram de stad richting het voorland van de metropool. Bouwmarkten, tuincentra, megasupermarkten, snelwegen. Buiten is het 30 graden.

Vösendorf, daar zou hij me opwachten in hotel Pyramide, dat ook daadwerkelijk een enorm puntdak heeft.

„Dus jullie hebben geen ijskoffie? Ik dacht dat jullie een sterrenhotel waren.”

Hij lijkt sprekend op zijn vader. Dezelfde gifgroene ogen. Grijs haar tot over de oren. Rokerswangen – al is hij inmiddels vijf jaar gestopt. Van veertig naar nul sigaretten per dag. „Ze smaakten me niet meer.”

Ernst Happel junior is 68. Twee jaar ouder dan zijn vader toen die in 1992 op 66-jarige leeftijd overleed aan longkanker. „U bent toch dood?”, zei een oudere vrouw eens op straat tegen hem. Happel senior liet een legende na. Tientallen prijzen in binnen- en buitenland. Eeuwige roem in Nederland. In 1970 de Europa Cup 1 met Feyenoord, als bondscoach net geen wereldtitel in 1978.

Jullie missen een galionsfigur, zoals wij zeggen. Een strijder en leider ineen. Een Virgil van Dijk. Dit EK gaan jullie niet winnen

Ernst Happel junior

Junior, die dankzij zijn tienerjaren in Den Haag en Rotterdam ook Nederlands spreekt, ziet de bekendheid in eigen land minder worden. Het nationale team speelt zijn wedstrijden nog altijd in het Ernst Happel Stadion – Ajax won er in 1995 de Champions League – maar de roem vervaagt. Op straat spreken ze hem steeds minder aan. Misschien ook omdat Wenen verandert. Nieuwe generaties hebben andere helden. Een kwart van de stadsbevolking komt van elders.

„Ach ja, mijn tijd is geweest.” In een rustig oord buiten de stad geniet hij van zijn pensioen na een carrière in de luchtvaart. Wild wordt hij alleen nog van de Rolling Stones. Sinds zijn eerste concert, als tiener in de RAI, bezocht hij er ruim tweehonderd. Zelf maakt hij ook muziek. Zelfgeschreven songs: zeker driehonderd. „En ik zie veel voetbal. Lekker alleen. Eerste rij, voeten vrij, single malt erbij.”

Over het Nederlands elftal: „Jullie missen een galionsfigur, zoals wij zeggen. Een strijder en leider ineen. Een Virgil van Dijk. Dit EK gaan jullie niet winnen.”

Dat het Oostenrijkse team zaterdag tegen Italië zijn eerste knock-outduel speelt sinds het brons op het WK 1958, doet hem weinig. „Het voetbal stelt hier weinig voor. Voetbalkoorts … met z’n allen kijken … hier? Nee hoor.”

’s Avonds, met Frankrijk - Portugal op een groot scherm in een sportpub naast de Weense Staatsopera, vertaalt Vasili Papadimitropoulos het als volgt. Hij is 46 jaar en woont vanaf zijn tweede in Wenen. Toch draagt hij alleen de Griekse nationaliteit. „Want zo zien de mensen mij hier ook.”

De mensen respecteren elkaar, zegt hij, maar zullen niet snel een praatje met vreemden maken. Hij gunt Oostenrijk voetbalsucces, maar zal nooit zo hard voor het land juichen zoals hij in 2004 deed voor Griekenland. Na de totaal onverwachte Europese titel. „We hebben alle kleine voetballanden laten zien dat het mogelijk is, een toernooi winnen. Zelfs priesters gingen toen de straat op.”

Later: „Dat doelpunt van Van Basten zal ik nooit meer vergeten. Erna hebben jullie eigenlijk helemaal niet zoveel gewonnen, hè?”

Eindhalte

Boedapest

De zomer is begonnen. Op station Budapest-Keleti knabbelen vijf nonnen aan een Magnum. In de straten brommen de airco’s om de hitte uit de hoge, sierlijke woonblokken te verdrijven.

Middenin het voormalige getto, schuin tegenover de grootste synagoge van Europa met zijn byzantijnse torens en gewelven, verlichten de felle zonnestralen de grootste wandschildering van de stad. Vierhonderd liter verf, verdeeld over duizend vierkante meter Hongaarse voetbalgeschiedenis. De Magische Magyaren.

Wie erlangs loopt, ziet de Engelsman Gil Merrick vergeefs naar de hoek duiken na weer een Hongaarse treffer in de ‘Match van de Eeuw’. Wembley, 1953. De dag dat Hongarije het onverslaanbaar geachte Engeland met 6-3 versloeg, dankzij twee goals van de man naar wie het stadion is vernoemd waar Oranje Tsjechië treft: Ferenc Puskás. De grootste voetballer van het land. Nog steeds.

De vraag is wel: zou Puskás in deze stad ooit zo’n mooie goal hebben gemaakt als Rob de Wit in 1985? De doorgewinterde liefhebber zal het jaartal en het doelpunt kunnen dromen. Ik moet het hebben van oude verslagen en YouTube.

De grootste wandschildering van Boedapest: vierhonderd liter verf, verdeeld over duizend vierkante meter Hongaarse voetbalgeschiedenis.
Foto’s Fabian van der Poll

In wat toen nog een klassiek oostblokstadion was, ovaalvormig, dakloos, met een sintelbaan, moest Nederland winnen van Hongarije met oog op kwalificatie voor het WK ’86. Twintig minuten voor tijd ontving De Wit de bal op de linkerflank. Totale controle – meteen. Een kap naar binnen. Tussen twee man door richting doel. Hoofd omhoog, oog in oog met de laatste Hongaar. Een lepe stift. 0-1 voor Nederland.
Een jaar later werd De Wit getroffen door een hersenbloeding. Die zomer speelde Oranje ook geen WK. In de play-offs waren de Belgen er met het ticket vandoor gegaan.
De Hongaren namen in 1986 voor het laatst deel aan een WK. Veel eindrondes gingen aan het land voorbij en doet Hongarije wel mee, dan is de pret van korte duur. Zoals ook op dit EK, na het gelijkspel van woensdag tegen Duitsland. Exit in de groepsfase.

„Natuurlijk heb ik gisteren gekeken. Jammer dat Duitsland aan het einde nog scoorde.” In stadspark Városliget is Tanvir neergeploft op een bankje. Rode wangen, bezweet voorhoofd. Hij heeft net gevoetbald. Veldjes zijn er genoeg, in de groene oase waar naast musea, een dierentuin en de beroemde thermische baden straks ook de oranjefanzone verrijst.

Tanvir is twaalf. Zijn ouders komen uit Afghanistan. Omdat zijn naam moeilijk uit te spreken is, wordt hij bij zijn voetbalclub Tommy genoemd. Bij Barça Academy speelt hij, de Hongaarse franchise van de voetbalopleiding van FC Barcelona, die ook filialen in Moskou en Istanbul heeft. „Als ik daar niet hoef te trainen, speel ik in het park. Ik voetbal elke dag.”

Het EK volgt hij een beetje. Hij weet dat er verderop een enorm stadion ligt, maar hij is er nog nooit geweest. Het is immers pas in 2019 opgeleverd en bij slechts drie van de acht wedstrijden die er sindsdien gespeeld zijn, was publiek aanwezig.

Dat Nederland er zondag speelt, was hem ontgaan. Kent hij Nederlandse voetballers? Nee. „Cristiano Ronaldo en Kylian Mbappé, die ken ik wel. Zij zijn voor mij de besten.”