De ‘proeve’ van een regeerakkoord: zie Kok en de jaren negentig

Weekboek formatie D66 en VVD gaan een „proeve” van een regeerakkoord schrijven, als basis voor de formatie. De gedachten gaan onvermijdelijk terug naar de zomer van ’94.

Informateur Mariëtte Hamer dinsdag tijdens de persconferentie na het aanbieden van haar eindverslag aan Tweede Kamervoorzitter Vera Bergkamp.
Informateur Mariëtte Hamer dinsdag tijdens de persconferentie na het aanbieden van haar eindverslag aan Tweede Kamervoorzitter Vera Bergkamp. Foto Bart Maat/ANP

Ze had eraan gedacht, maar het was toch echt anders. Informateur Mariëtte Hamer wilde de „proeve van een regeerakkoord” die VVD-leider Mark Rutte en D66-leider Sigrid Kaag de komende weken samen gaan schrijven, eigenlijk niet gelijkstellen met het stuk dat PvdA-leider Wim Kok in 1994 schreef. De situatie, zei ze deze week tijdens een persconferentie, was toen anders: er was in 1994 al een mislukte onderhandelingspoging geweest, daar waren de partijen dit jaar niet eens aan toe gekomen. En een „proeve”, zo willen sommige partijen op het Binnenhof het stuk ook helemaal niet noemen.

Maar toch: als het lijkt op een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het in dit geval toch echt een proeve van een regeerakkoord. Want het idee, herhaalde Hamer woensdag in de Tweede Kamer, is dat het „document” de basis gaat vormen voor inhoudelijke formatie-onderhandelingen. Partijen die het stuk zien zitten kunnen dat aangeven, waarna de echte onderhandelingen beginnen, ze hoopt half augustus. Voorwaar: het document is een proeve van wat uiteindelijk het regeerakkoord kan worden.

Daarmee gaan de gedachten onvermijdelijk terug naar de zomer van 1994. Ook toen was het land in de ban van Oranje, vanwege het WK in de VS, ook toen broeide de wens op het Binnenhof om alles anders te gaan doen en ook toen verliep de formatie zó moeizaam dat één van de partijleiders een aanzet voor een regeerakkoord moest schrijven.

Zes weken na de verkiezingen was een eerste poging om te komen tot een Paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 mislukt. De drie partijen wilden breken met de oude cultuur en, vooral, met de almacht van de confessionelen die sinds 1918 onafgebroken in het landsbestuur zaten. Het CDA buiten het kabinet houden, daar had Hans van Mierlo zo ongeveer D66 voor opgericht. De verkiezingsuitslag gaf hun een meerderheid, dus waarom ook niet?

Er is één groot verschil met 1994: het gevoel van urgentie dat er toen was, ontbreekt nu

Bijvoorbeeld omdat, hoewel de geschiedenis na de val van de Berlijnse Muur dan wel ten einde was en het liberalisme gewonnen had, de verschillen tussen de sociaaldemocratische PvdA van Wim Kok en de liberale VVD van Frits Bolkestein nog aanzienlijk waren. Op tafel lag een bezuinigingsopdracht van 20 miljard gulden (zo’n 9 miljard euro). Bolkestein wilde het geld bij de sociale zekerheid weghalen, de PvdA liever niet. Anderhalve maand na de verkiezingen klapte de poging, toen Bolkestein met aanvullende bezuinigingen op de uitkeringen kwam.

Wat er daarna precies gebeurde in het paleis aan het Noordeinde, is het geheim van de kroon. Maar zeker is dat het beraad van Beatrix en haar vaste adviseurs, naast de net aangestelde verkenner Herman Tjeenk Willink onder meer vice-voorzitter van de Raad van State Willem Scholten, een uitkomst had die van te voren niemand had voorzien. Werd er rekening gehouden met een VVD-informateur om een centrum-rechts kabinet te onderzoeken, met D66 en toch ook met het CDA, het uiteindelijke besluit was een noviteit. Wim Kok moest zélf maar een proeve van een regeerakkoord gaan schrijven, in ieder geval over het sociaal-economische beleid voor een nieuw kabinet. Hij was er zelf ook verbaasd over.

De opzet slaagde. Kok kreeg zowel D66, die haar Paarse droom waar wilde maken, als de VVD, die zich iets minder hard opstelde, terug aan tafel. Een maand nadat Kok zijn proeve had gepresenteerd, stond het kabinet Kok-I op het bordes. De Paarse poging moest eerst mislukken om daarna te kunnen slagen.

Hoe sterk sommige overeenkomsten ook zijn tussen 1994 en nu, er is één groot verschil: het gevoel van urgentie dat er toen was, en nu lijkt te ontbreken. Dat er destijds geen zicht was op een kabinet kón eigenlijk niet, vond Tjeenk Willink. Kiezers zouden het onbegrijpelijk vinden. Er was, vond hij, een „doorbraak nodig in de patstelling die is ontstaan, omdat deze patstelling de politiek volstrekt ongeloofwaardig maakt”. Hij zei dat zes weken na de verkiezingen. Als dit keer de formatiegesprekken half augustus écht zouden beginnen , is het vijf maanden na de stembusgang. Kok was tegen die tijd al lang en breed aan het regeren.