De grote scheefgroei: dit zijn de vijf belangrijkste ongelijkmakers

De ongelijkheid in data Ontspoort het kapitalisme in Nederland? De ongelijkheid neemt toe. De statistieken over kansen, inkomen, vermogen, wonen en arbeid laten zien: de rijkdom aan de top zwelt aan, terwijl laagopgeleiden, flexwerkers en jongeren in de knel komen. „Er ontstaat een granieten kern van achterblijvers.”

1. Kansenongelijkheid

‘De Nederlandse droom’, dat hoor je zelden. Maar het idee dat elk kind, ongeacht zijn afkomst, een goede opleiding verdient, en later kans moet hebben op een goed inkomen, wordt in Nederland breed omarmd. De hang naar gelijke kansen kreeg gestalte in een onderwijssysteem dat ‘stapelen’ mogelijk maakt, in studiefinanciering door de overheid, en in een sociaal vangnet dat zwakke gezinnen bijstaat. Door gelijke kansen te geven, ontstaat sociale mobiliteit. Denk aan carrières als die van Ahmed Aboutaleb. Geboren in Marokko volgde hij achtereenvolgens de lts, mts en hts – en werd uiteindelijk burgemeester van Rotterdam.

Het Nederlandse onderwijs was lang een „gelijkmaker”, zegt Maarten Wolbers, hoogleraar sociologie in Nijmegen en wetenschappelijk directeur van onderzoeksinstituut KBA Nijmegen. „Maar sinds 15 à 20 jaar zien we een duidelijke kentering. Onderwijs wordt een nieuwe scheidslijn, de kansenongelijkheid neemt toe.”

KBA deed verdiepend onderzoek naar de PISA-studie van 2018, een internationaal onderzoek waaruit bleek dat Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs steeds slechter presteren. Het sterkste daalden de prestaties op het gebied van leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen onder 15-jarigen wier ouders alleen basisonderwijs of vmbo hadden gevolgd, zo ontdekte KBA.

Ook bleek dat steeds minder kinderen met laagopgeleide ouders zelf havo of vwo gaan doen. Wolbers: „Er ontstaat een granieten kern van achterblijvers, met een opeenstapeling van problemen: lage inkomens, schulden, éénoudergezinnen.”

In het algemeen is in Nederland de druk op kinderen toegenomen om havo of vwo te gaan doen. Daarom is ‘schaduwonderwijs’ (zoals huiswerkbegeleiding en bijles) in opmars. „Gezinnen met lage inkomens kunnen dat niet zomaar betalen”, zegt Wolbers.

Een groeiende kloof is ook zichtbaar tussen kinderen mét en zonder migratieachtergrond, zo blijkt uit het KBA-onderzoek. De onderwijsprestaties van kinderen met een migratie-achtergrond zijn bovengemiddeld snel gedaald (behalve die van meisjes op het gebied van wis-en natuurkunde) en ze gaan relatief minder vaak naar de havo of het vwo.

Meisjes met laagopgeleide ouders volgen minder vaak havo/vwo

Dat geldt ook voor jongens met laagopgeleide ouders

Het laat zien dat de kansenongelijkheid in het onderwijs toeneemt

Kansengelijkheid gaat over meer dan onderwijs. Het gaat ook over je inkomen, werk, gezondheid, en de plek waar je opgroeit, laat de Kansenatlas van economisch onderzoeksbureau SEO zien. Wie in Alphen aan den Rijn wordt geboren voor een dubbeltje, heeft bijvoorbeeld meer kans om later een kwartje te worden dan iemand die arm opgroeit in Emmen.

In Nederland als geheel lijkt het moeilijker te worden om op de inkomensladder te stijgen. De zogeheten inkomensmobiliteit tussen generaties in Nederland is sinds de financiële crisis gedaald – en sneller dan in enkele andere westerse landen, zo schreven de Rotterdamse economen Anne Gielen en Hans van Kippersluis vorig jaar in een artikel in economisch vakblad ESB. Zij maakten geen onderscheid tussen inkomensgroepen.

Voor bevoorrechte mensen met een vast contract bij grote organisaties zijn er sociale plannen

Irmgard Borghouts Hoogleraar sociale zekerheid

De Tilburgse econoom Daniël van Vuuren deed dit met enkele collega’s wél, in hetzelfde vakblad. Wat hij vond: kinderen met ouders uit de laagste 20 procent inkomens blijven in Nederland steeds vaker steken in deze laagste inkomensgroep. In 2005 gebeurde dit bij 27 procent van de gevolgde kinderen, in 2015 bij 33 procent. Bij de hogere inkomensgroepen daalde de inkomensmobiliteit niet.

Neemt de kansenongelijkheid toe? Van Vuuren wil als wetenschapper „voorzichtig zijn met snelle conclusies”, zegt hij, „Maar dit is wel een signaal dat het moeilijker wordt om als je uit een arm gezin komt een sprong op de inkomensladder te maken.”

Lees ook: Kansenongelijkheid in Nederland: wie in Emmen opgroeit, haalt een Alphenaar nooit meer in

2. Inkomensongelijkheid

Heeft iedereen geprofiteerd van de sterke economische groei van de afgelopen jaren, of blijven bepaalde groepen achter? De statistieken over inkomensongelijkheid zijn veelzijdig: het ligt er maar net aan waar je naar kijkt hoe het antwoord uitpakt. Kijk je bijvoorbeeld naar het bruto of netto inkomen? En corrigeer je voor de grootte van een huishouden?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meet ongelijkheid bijvoorbeeld vaak door middel van de zogeheten Gini-coëfficiënt: uitgangspunt van deze maatstaf zijn de verschillen tussen inkomens. De Gini is 0 wanneer iedereen even veel inkomen heeft, en 1 als al het inkomen naar één persoon gaat. Maar je kunt deze maatstaf ook voor verschillende inkomens meten. „Grosso modo kun je zeggen: vóór belastingen en uitkeringen, zoals AOW, bijstand of toeslagen, neemt de ongelijkheid toe, ná belastingen niet zozeer”, zegt hoogleraar economie en overheidsfinanciën Bas Jacobs van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Zo ligt de Gini voor het netto inkomen, gecorrigeerd voor de grootte van een huishouden, onder de 0,3 – net onder het Europese gemiddelde. De laatste twintig jaar is die weinig veranderd.

Tussen éénverdieners- en tweeverdienershuishoudens neemt de ongelijkheid wel toe, zegt Jacobs. Dat komt onder meer doordat vrouwen meer zijn gaan werken (wat zorgt voor grotere verschillen tussen één- en tweeverdieners) en door belastingvoordelen voor tweeverdieners.

Dertig jaar geleden nam de inkomensongelijkheid tussen huishoudens in rap tempo toe. Niet alleen doordat vrouwen toen meer zijn gaan werken, maar ook door de versobering van de verzorgingsstaat (toeslagen en uitkeringen verkleinen inkomensongelijkheid) en de belastinghervormingen van begin jaren negentig.

Op de Gini-coëfficiënt valt echter wel het nodige aan te merken. „De maatstaf werkt niet goed voor de extremen van de verdeling”, zegt zelfstandig economisch onderzoeker Alman Metten. Daarmee bedoelt hij: de allerlaagste inkomens en de topinkomens. Een blik op hoe inkomens verdeeld zijn over verschillende inkomensgroepen illustreert dat. In alle inkomensgroepen is het gemiddelde inkomen sinds 2011 gestegen. Zowel bij de armste huishoudens, de middeninkomens en de rijkste tien procent inkomens steeg het inkomen met 22 à 26 procent. Dit is wel ongecorrigeerd voor inflatie, dus de koopkracht is minder toegenomen.

Maar kijk je naar de topinkomens, dan heeft volgens Metten een behoorlijke verschuiving plaatsgevonden in de top. „Die laat de Gini niet zien.” Het gemiddelde inkomen van de rijkste 1 procent nam tussen 2011 en 2019 toe met maar liefst 30 procent. Bij de rijkste 0,1 procent van de bevolking was dat zelfs 50 procent.

De inkomens van de rijkste 10% stegen fors

De grootste stijging vond plaats bij de rijkste 0,1%

Een andere tekortkoming van Gini-statistieken over inkomensongelijkheid is dat die weinig zeggen over de steeds grotere groep flexwerkers en mensen met tijdelijke contracten. Zij zijn vaak niet verzekerd en bouwen bijvoorbeeld geen pensioen op.

„Bovendien zijn deze inkomensstatistieken gebaseerd op gegevens die het CBS kan halen uit de belastingaangiften”, zegt Jacobs. „ Maar in de inkomensstatistieken zitten gaten omdat veel zaken niet worden belast en dus niet in de inkomensstatistiek terechtkomen. Zo worden vermogenswinsten meestal niet belast, zoals bij de verkoop van je huis of bij met winst verkochte aandelen van beursgenoteerde bedrijven.”

Ook de huurinkomsten van een tweede huis zijn onbelast, en dus onbekend, net zoals winstuitkeringen van boven 250.000 euro, zegt Jacobs. „Het kan zijn dat we de inkomensongelijkheid onderschatten omdat we veel kapitaalinkomen niet of niet goed meten.” Deze inkomsten liggen immers vooral de hogere inkomensgroepen.

3. Vermogensongelijkheid

De vermogensongelijkheid van particulieren in Nederland behoort tot  een van de hoogste onder de rijke landen. En wie verder kijkt dan de standaardcijfers ziet dat die misschien wel toeneemt.

De Gini-coëfficiënt voor vermogens schommelt al jaren rond de 0,8.  De maatstaf  neemt de afgelopen jaren licht af. Dat komt vooral door de stijgende woningwaarde. Voor de meeste huiseigenaren bepaalt die het overgrote deel van hun vermogen. 

Maar dat is niet het hele verhaal. Er zijn in Nederland „opvallend  veel huishoudens met een negatief vermogen”, zegt Bas van Bavel, hoogleraar transities van economie en samenleving aan de Universiteit Utrecht.

Deels komt dat door hypotheekschulden, maar ook door schulden vanwege een consumptief krediet.  „Wat daarnaast opvalt, ook internationaal, is dat een  grote groep huishoudens nauwelijks vermogen heeft.”

Een gedetailleerde blik op de ontwikkelingen binnen de verschillende vermogensgroepen in Nederland – van laag tot hoog – duidt op toenemende ongelijkheid. In  dertien jaar tijd is het gemiddelde vermogen van huishoudens uit de onderste 10 procent nauwelijks toegenomen.  Het merendeel  bezit geen huis, heeft  dus geen hypotheekschuld, maar  óók bijna geen spaargeld.  In de „subtop” van de vermogensgroepen, zegt Van Bavel, groeit het vermogen juist wel, door de huizenprijzen en  stijgende aandelenkoersen. „Maar de meeste beweging zie je aan de top: in de top 1 en 0,1 procent vermogensgroep.”

Bezat de rijkste 1 procent in 2011 nog 25,6 procent van al het vermogen, in 2019 was dit al ruim 27 procent. Het vermogensdeel van de rijkste 0,1 procent nam toe van 10 procent naar  bijna  11 procent  – een groei van bijna 60 miljard euro.

Het vermogen van de rijkste 10% is gegroeid…

… en het vermogen van de rijkste 0,1% groeide nog sneller

Bovendien vallen er kanttekeningen te plaatsen bij de vermogensstatistieken van het CBS, zegt hoogleraar Bas Jacobs. Buiten beeld blijft bijvoorbeeld in het buitenland ondergebracht vermogen en geld dat in familiestichtingen is verstopt.

In 2019  bleek  dat het bijna twee keer zo vaak voorkwam als gedacht dat mensen een ‘aanmerkelijk belang’ hadden in een bedrijf (ten minste 5 procent van de aandelen). Dit type bezit is vooral in handen van mensen met topvermogens.

De gevolgen van deze grote vermogensongelijkheid vindt Van Bavel zorgelijk. „Steeds meer zaken in het dagelijks leven vragen om private investeringen – denk aan de toenemende inzet van huiswerkbegeleiding. Lage- en middeninkomens, en ook de grote groep zzp’ers,  moeten daar hun vermogen voor aanspreken, dat  zij vaak  niet hebben.  Als je niet substantieel eigen vermogen kan opbouwen, dan loopt Nederland uiteindelijk ook ondernemingskracht mis.”  Ook aan de top heeft het gevolgen, zegt Van Bavel. „Het risico is groot dat mensen met de echte topvermogens dat omzetten in macht binnen de economie, zoals door het monopoliseren van bepaalde sectoren. En die invloed kan  ook overlopen naar het politieke domein.”

Lees ook: Tijdens de coronacrisis zijn de rijken nog vermogender geworden

4. Woonongelijkheid

Door het grote tekort aan (betaalbare) woningen, de hoge huren in veel steden en de almaar stijgende huizenprijzen tekenen zich de laatste jaren twee scheidslijnen af. Ten eerste die tussen kopers en huurders. Huurders hadden over het algemeen al hogere woonlasten ten opzichte van hun inkomen (de zogeheten woonquote): het zijn vaker mensen met lagere inkomens die huren.

Dit verschil wordt steeds groter. Voor kopers nam de woonquote juist af: van 32,5 procent in 2012 naar 29 procent in 2018. Zij besteden dus een minder groot deel van hun inkomen aan wonen. Terwijl huurders juist een steeds groter deel van hun inkomen aan huur kwijt zijn: zij gingen van 36 procent naar 38 procent in dezelfde periode.

De tweede scheidslijn is die tussen jong en oud. De jongere generaties hebben het meeste last van de problemen op de huizenmarkt. Uit onderzoek bleek al dat jongeren in 2018 minder vaak een huis bezaten dan in de zeven jaar daarvoor. Daardoor moeten ze vaker en langer huren, en neemt de woonquote vooral onder jongeren sterk toe: die bedroeg bijna 43 procent in 2018. Andere tegenstelling: terwijl oudere kopers gemiddeld groter zijn gaan wonen, zijn jonge kopers er qua vierkante meters op achteruit gegaan.

„Je kunt je afvragen of woonongelijkheid de uitkomst of oorzaak is van bredere maatschappelijke scheidslijnen, zoals inkomens- of vermogensongelijkheid”, zegt Cody Hochstenbach, stadsgeograaf aan de Universiteit van Amsterdam. „Ik denk beide. Kopen is een veilige manier om vermogen op te bouwen en biedt dus zekerheid voor de toekomst.”

De tweedeling op de woningmarkt uit zich ook in de sterk toegenomen financiële problemen onder huishoudens die huren, schreef het Planbureau voor de Leefomgeving vorig jaar. Liep in 2002 nog 5 procent van de huurders het risico om in de problemen te komen door de maandelijkse woonlasten, in 2018 lag dit inmiddels rond de 14 procent. En volgens het Nibud zelfs op 25 procent.

Voor jongeren is wonen steeds vaker te duur. Het aantal twintigers en dertigers dat nog steeds, of weer, bij zijn ouders woont, is de afgelopen jaren rap toegenomen. In 2010 deden een kleine 700.000 jongeren dat, tien jaar later waren dat er ruim 900.000, aldus het CBS.

Huisvesting is dus vooral voor jongeren en voor lage inkomens problematisch geworden. Of simpelweg onbereikbaar. In tien jaar tijd, tussen 2009 en 2020, verdubbelde het aantal daklozen volgens het CBS naar bijna 40.000 mensen. Terwijl het recht op huisvesting in de grondwet staat, zegt Hochstenbach. „Zelfs een dak boven je hoofd is dus voor veel mensen niet aan de orde.”

Lees ook: Dertiger en de boot gemist op de woningmarkt: kan ik ooit nog een huis kopen?

5. Ongelijkheid op de arbeidsmarkt

„Exceptioneel”. „Een buitenbeentje”. Zo karakteriseert de OESO, de denktank van rijke landen, de Nederlandse arbeidsmarkt. De afgelopen twee decennia flexibiliseerde die in rap tempo. In Nederland groeide het aantal tijdelijke contracten én zzp’ers hard.

De OESO is er kritisch over: met de groei van ‘flex’ is ook de ongelijkheid in Nederland toegenomen, zegt de denktank. Mensen zonder vast contract verdienen dikwijls slechter, zijn minder goed beschermd en krijgen niet altijd dezelfde kansen – bijvoorbeeld op scholing.

Had in 2003 nog 14 procent van alle werkenden in Nederland een flexcontract, in 2016 was dit gestegen naar bijna 23 procent, om daarna weer wat te dalen naar 19 procent, zo blijkt uit cijfers van het CBS.

Ook het percentage zzp’ers in Nederland schoot omhoog, van 8 naar 13 procent – overigens was dit veelal hun eigen keus. Deze trend zie je verder in de OESO (en in de EU) niet terug. Op OESO- en EU-ranglijstjes staat Nederland inmiddels bovenaan wat betreft flexbanen en zzp’ers.

De kloof tussen ‘vast’ en ‘flex’ is in de eerste plaats een loonkloof. Flexwerknemers verdienen gemiddeld 48 procent minder per uur dan werknemers met een vaste arbeidsrelatie, zo berekende CBS. Dat loonverschil hangt sterk samen met verschillen in achtergrond. Een flexwerknemer is vaker jong, laagopgeleid, vrouw en heeft een migratieachtergrond. Gecorrigeerd voor deze verschillen is het loonverschil 7 procent.

Voor wie geen vast contract heeft, is ook de sociale bescherming beperkter. Vier op de tien zzp’ers heeft niets geregeld voor arbeidsongeschiktheid en een kwart bouwt geen pensioen op, zo blijkt uit CBS-cijfers. Ook 25 procent van de flexkrachten bouwt geen of amper pensioen op.

Flexwerkers en zzp’ers krijgen als zij hun werk verliezen meestal geen begeleiding bij het zoeken naar nieuw werk, of scholing. „Voor bevoorrechte mensen met een vast contract bij grote organisaties zijn er sociale plannen”, zegt Irmgard Borghouts, hoogleraar HRM en sociale zekerheid in Tilburg. „Maar niet voor flexkrachten en zzp’ers. Dat heeft de coronacrisis echt blootgelegd.”

Voor deze ‘bevoorrechten’ in vaste dienst is de ontslagbescherming in Nederland zeer streng, voor flexwerkers juist zeer zwak, vult Daniël van Vuuren aan, hoogleraar economie in Tilburg. „De Nederlandse verzorgingsstaat is verkeerd afgesteld: de mensen die het meeste bescherming nodig hebben, krijgen die amper.”

De Nederlandse verzorgingsstaat is verkeerd afgesteld: de mensen die het meest bescherming nodig hebben, krijgen die amper

Daniël van Vuuren hoogleraar economie

Er zijn pogingen de trend te keren. In opdracht van het kabinet adviseerde de commissie-Borstlap, een groep arbeidsmarktexperts, om flexwerk sterk in te perken. Het vaste contract moet de norm worden en tegelijk moet de ontslagbescherming in vaste banen minder sterk worden. Ook moet er één arbeidsongeschiktheidsregeling komen voor alle werkenden inclusief zzp’ers, aldus de commissie.

Onlangs adviseerde ook de SER om flexwerk te ontmoedigen, onder meer door strengere regels op te stellen voor uitzendwerk. De SER wil overigens de bescherming van vaste contracten ongemoeid laten.

Maar de adviezen uit de polder zijn nog geen wetten. In het Pensioenakkoord van 2019 staat al een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers. Maar het model dat het kabinet voorstelt, met keuzes voor varianten, stuit op uitvoeringsbezwaren bij de Belastingdienst.

De ongelijkheid op de arbeidsmarkt is inmiddels diepgeworteld – en hardnekkig.

Lees ook: Strengere regels zzp’ers, hoger minimumloon – wat staat er precies in het SER-akkoord?

Illustraties Midas van Son, infographics Fokke Gerritsma /Studio NRC