Pietje Bell is dood. Scheep jonge lezers niet meer af met die stoffige klassiekers

Verwey-lezing Begrijpend lezen begint met goede kinderboeken. Maar jonge lezers worden afgescheept met stoffige klassiekers en met de geestdodende methodes ‘veilig leren lezen’. Schrijfster breekt in haar Verwey-lezing een lans voor ‘onveilig’ lezen.

Illustratie Getty Images/iStockphoto

Omdat de mensen vorig jaar onverwachts werden opgesloten in hun huis zochten ze al gauw naar een leven erbuiten. Ze waren hun computerscherm zat, hun muren, hun uitzicht, hun huisgenoten en hun gedachten. Ze wilden eruit. Op zoek naar een andere wereld en nieuwe perspectieven. Het boek lonkte, maar welk?

Ik las verschillende oproepen op de sociale media waarin werd gevraagd naar goede boeken. Eén oproep sprong eruit. ‘Wie weet er nog een boek voor mij om samen met mijn achtjarige dochter te lezen? Geen klassiekers, want die kennen we al.’

Ik zag dat er tweehonderdachtenzestig reacties op de vraag van deze vader waren gekomen. Ik besloot ze allemaal te lezen om er eventueel ook mijn voordeel mee te kunnen doen. Ik was geen acht meer, maar wel acht geweest, en om mijn achtjarige te voeden, lees ik graag nog weleens een kinderboek. Ik zette een potje thee en installeerde me op de bank. Er joeg een verheuggolf door mijn lichaam heen.

De eerste tien boeken die door de volgers van de betreffende twitteraar werden geopperd waren, houdt u vast: 1. Matilda. 2. Harry Potter. 3. Lord of the Rings. 4. Kruistocht in spijkerbroek. 5. De vijf. Zit u nog? 6. De brief voor de koning. 7. De kleine kapitein. 8. De Grote Vriendelijke Reus. 9. Animal Farm en 10. De kleine Johannes.

Natuurlijk waren er nog tweehonderdachtenvijftig reacties te gaan, maar toch was mijn surfersgeluk reeds te pletter geslagen tegen een stel scherpe rotsen van teleurstelling. Hoe kon het dat deze enthousiaste volgers alleen maar klassiekers noemden terwijl daar expliciet niet om werd gevraagd? Ik scrolde nog even verder, houdt u zich maar weer goed vast: Pinkeltje, Dik Trom, W.G. van de Hulst, Wipneus en dat rotvriendje Pim, Het kleine huis op die eindeloze pleuris prairie, zal ik nog even doorgaan? Als je het op zijn tweeduizendeenentwintigst zou moeten zeggen klonk het in mijn hoofd telkens: Hoe dan!

Nederland heeft een leesprobleem, dat wisten we al, maar sinds die dag kon ik het ook aantonen. En ik zal nog meer vertellen: Nederland heeft er twee.

Vleesrestaurant

Het eerste probleem is een begrijpend-lezenprobleem. De vraag luidt: ‘Wie weet er nog een boek voor mij om samen met mijn achtjarige dochter te lezen?’ Gevolgd door de mededeling: ‘Geen klassiekers want die kennen we al.’ Maar waar komt iedereen mee aanzetten? Met klassiekers.

Hoe dan? Waarschijnlijk omdat de lezers van de oproep de concentratie voor de rest van het bericht al niet meer konden opbrengen. Je kan de situatie vergelijken met: kent iemand nog een leuk restaurant? Geen vleesrestaurants, want we zijn al jaren vegetariër. En dat er vervolgens driehonderdvijfenveertig reacties komen met voorstellen als: The Meatclub, El gaucho, The Rodeo Grill all you can eat en The ribsfactory en niet te vergeten Boro’s Balkan Grill.

Dan het tweede. Het lijkt namelijk of het kinderboek sinds 1970 niet meer met zijn tijd is meegegaan. De reageerders noemden boeken die tenminste een halve eeuw oud zijn. Alsof er nadien niets nieuws meer is verschenen. Je wilt voor je kinderen naast klassiekers toch ook actuele boeken die antwoord geven op actuele vragen?

Weet iemand nog een leuk cadeau voor mijn achtjarige nichtje? Ja hoor: een springtouw, een tol, klikklaks, een punnikpaddenstoel, sillyputty, Electro of een viewmaster.

Deze twee zaken: niet begrijpend kunnen lezen én niet op de hoogte zijn van nieuwe kinderboeken, hebben denk ik met elkaar te maken.

We schrijven 1970. Er werd klassikaal onderwijs gegeven en de leesplankjes stonden in de hoek van het lokaal. Aap noot mies, natuurlijk, teun vuur gijs. We leerden lezen door de letters stuk voor stuk onder de bijbehorende plaatjes te leggen tot ze samen het gewenste woord vormden. Wie klaar was mocht iets voor zichzelf gaan doen.

Ik was beslist geen licht op leesgebied. Waar anderen al combinaties maakten van letters naar woorden, bleef ik een tijd lang alleen maar de afzonderlijke letters zien. Tot ik die kerstvakantie, net zeven geworden, bij mijn grootmoeder ging logeren. In mijn tas zat een dik boek, het boek van Ot en Sien. Mijn grootmoeder vroeg of ik haar eruit zou willen voorlezen.

‘Ja, hoor’, zei ik. Ik weet nog dat ik toen dacht: ik pak het boek, sla het open en verzin ter plekke wel een verhaal. Ik legde het dikke boek voor me op tafel, sloeg het op en begon aan de eerste letterreeks. En die reeks bleek ineens een woord te zijn. Ik herinner me nog mijn verbazing en direct daarop mijn geluk. Ik kreeg daarna de ene reeks letters na de andere aaneen tot een woord, en ik hield niet op bij de punt, maar ik las verder, zin na zin. En mijn grootmoeder klapte in haar handen en ik gloeide, want ik besefte op dat moment dat de wereld voor me was opengegaan.

Pietje Bell is dood

Ontdekken dat je kunt lezen, van het ene op het andere moment, gaf mij dezelfde sensatie als de dag waarop ik leerde fietsen. Met de fiets zou ik kunnen wegrijden, met een boek zou ik kunnen wegdromen. Wat een mogelijkheden waren erbij gekomen om te ontsnappen aan de plaats waar ik me op dat moment bevond.

Nieuwe vaardigheden leer je niet zonder slag of stoot. Ze kosten moeite. Er gaat een proces aan vooraf waar je soms zelfs een strijd voor moet leveren. En dat brengt me bij die twee leesproblemen. Dat we slecht lezen en dat we, wanneer we lezen, behoudend lezen. Pietje Bell stond ook in het lijstje van tweehonderdachtenzestig. Pietje Bell uit de Breestraat in Rotterdam. De Breestraat die al meer dan tachtig jaar geleden door de Duitsers is platgebombardeerd. Pietje is dood, lieve lezers! Lang leve Pietje, maar we moeten door.

Waarom toch steeds weer die oude boeken? Waarom die hang naar nostalgie en veiligheid? Alsof we met z’n allen, om ons te verkneukelen, in het weekend een kookboek van Wina Born van zolder halen. Maar dat doen we niet. We willen geen Simca die je eerst moet aanduwen voor de motor aanslaat. We willen een auto die start met een knopje. We willen jaarlijks een nieuwe garderobe, omdat je na een paar seizoenen al in de verkeerde kleuren loopt. Hey, weet iemand nog een leuke hobby voor mijn achtjarige? Die moet tegenwoordig minstens naar de droneflightacademy. Ze zien je al aankomen met postzegels, sigarenbandjes of ministeck.

Waarom komt niemand van die tweehonderdachtenzestig respondenten met het prachtige Spinder van Simon van der Geest aanzetten? Simon wie? Nooit van gehoord. Edward van de Vendel wie? Marjolijn Hof. Wie? Marjolijn Hof, die een klassieker schreef die gewurgd is door Wipneus en zijn matennaaiertje Pim. Haar Lepelsnijder is een van de mooiste kinderboeken die ik de afgelopen jaren las. Maar kent iemand het? Nee, en dat is de schuld van Wipneus en zijn teringvriendje, die de hoofden van de collectieve lezer bezet houden. Het miegelt van de goede Nederlandstalige schrijvers voor achtjarigen. Maar waarom kennen we hen niet? Omdat wij volwassenen te bang zijn om ons eigen oude schoolplein te verlaten. Daar waren we veilig. Daar lazen we De kameleon. Daar lazen we hoe Dolf zijn superieure spijkerbroek afragde tijdens zijn kruistocht door de Middeleeuwen.

Vitaminecode

Er is een leesmethode die naar de naam ‘Veilig leren lezen’ luistert. Dat vind ik persoonlijk een onheilspellende naam. Want kun je dan ook onveilig lezen? Volgens deze uitgever wel. Op hun site staat dat tachtig procent van de schoolkinderen al jaren via hun veilige methode leert lezen. De uitgeverij klopt zich daarmee op de borst. Maar is dat terecht? Ik lees toch ieder jaar weer in de krant dat het leesniveau van de Nederlandse kinderen steeds verder wegzakt in het moeras der laaggeletterdheid. En je kunt je daaruit wel door de Kameleon willen laten redden, maar die tweeling zit al jaren aan het zuurstof in Huize Sa min as strie in het Friese dorp Lenten. Sa min as strie betekent: ‘Zo moe als stro’.

Ooit kreeg ik een opdracht van deze veilig-leren-lezenuitgever. Of ik een verhaal wilde schrijven voor een nieuwe leesmethode. Er volgden instructies. Die waren niet misselijk kan ik u vertellen. Waar voor mijn eigen boeken geldt: niets hoeft, alles mag, gold voor deze uitgever het tegenovergestelde: niets mag, alles moet.

Veilig leren lezen impliceert dat je eventueel uit de bocht zou kunnen vliegen met een boek. Veilig leren lezen betekent dus: niet tegen de vangrail rijden. Het betekent lezen met zijwieltjes.

Ik ben door een andere schoolboekenuitgeverij eens gevraagd een tekst te leveren voor Avi E5. Avi wie? Ik wist niet dat Avi tegenwoordig een vitaminecode had. Ik kreeg een lijst van instructies mee die ingewikkelder was dan de tutorial voor een Ikeakast. De reden: kinderen mochten niet geconfronteerd worden met een woord waar ze nog niet aan toe waren. Ze moesten behoed worden voor scherpe bochten, kuilen, onverlichte paaltjes op de weg.

Eens kijken wat er in zo’n Veilig-leren-lezen-tekst staat:

een kip legt vaak een ei.

het is er een per dag.

is de kip wit?

dan is het ei vaak ook wit.

is het een kip die niet wit is?

dan is het ei vaak ook niet wit.

Afgezien van de horkerige taal blijkt wat er staat ook nog eens onwaar. Fake news. Als een tekst een vitaminecode m3 draagt, dan mogen daarin geen woorden van meer dan één lettergreep staan. Gevolg: je moet de waarheid geweld aan doen. Het ligt namelijk helemaal niet aan de kleur van de kip of haar eieren wit of bruin zijn. Het ligt aan de kleur van haar oorlel welke kleur eieren ze legt. De schrijfster van deze kippentekst moest zich dusdanig concentreren op alle do’s en don’ts dat de informatie van ondergeschikt belang was geworden.

Waarom mogen kinderen niet gewoon lezen? Meters maken? Verdwijnen in verhalen zonder dat ze er daarna iets mee moeten. Er is wetenschappelijk bewijs geleverd dat kinderen beter gaan lezen als ze het maar vaker doen zonder dat ze telkens een tussenstop moeten maken voor opdrachtjes en meerkeuzevragen. Het werkt allemaal leesafremmend in plaats van -bevorderend.

Gojibes

Op een Pabo vroeg ik in 2019 aan driehonderd eerstejaars wie van hen er wel eens een boek las. Er gingen vingers omhoog. Dat zag er bemoedigend uit. Ik vroeg welke boeken ze lazen. Lampje. Iedereen? Velen knikten. Lampje van Annet Schaap is een van de zeldzame hedendaagse boeken die – terecht – blinkend overeind blijft staan tussen het opgepoetste zilver van weleer. ‘Goed,’ zei ik, nadat de pabostudenten nog wat stukgelezen titels hadden genoemd. ‘Maar wie van jullie leest er avontuurlijk?’ Er viel een doodse stilte in de aula. Net toen ik mijn vraag wat wilde toelichten ging er een eenzame hand omhoog. Een dappere jongen vertelde dat hij de avonturen van De Grijze Jager las. Ik beaamde dat dat avontuurlijke boeken waren, maar ik bedoelde natuurlijk iets anders. Ik bedoelde wie er wel eens op avontuur ging in de bibliotheek of boekwinkel. Driehonderd stel armen bleven als uit de kom geslagen op driehonderd paar knieën liggen. Ik wist wel waarom. De titel moet bekend zijn, bewezen zijn, er moet een stempel op staan van papa en mama of van de juf. Maar: als de juf niet avontuurlijk leest dan krijg je kinderen die groot worden met Het malle ding van Bobbistiek. Een gaaf boek, en natuurlijk zorgt het boek voor leesvitamines, maar niet de vitamines van de hedendaagse gojibes, maar die van de aloude levertraan.

Hoe het dan wel moet? Ik zal u iets voorlezen. Iets moderns. Iets van deze tijd. Kom maar, kijk, we slaan hier linksaf. Want daar, in deze schijnbaar onveilige straat, woont een gedicht dat nog niet zo lang geleden is geschreven. We gaan aanbellen bij het gedicht dat iedereen moet leren kennen omdat het zo shocking mooi is. Het is modern, maar niet onveilig, vertrouw me maar. Ik heb het al zevenendertig keer gelezen en ik leef nog, ziet u? Iedereen die bij deze tekst een lesje wil maken, of er een code op wil plakken mag van mij levenslang bij de ANWB lifehammers met keramische hamerkoppen gaan verkopen. Die heeft namelijk niet begrepen waar het bij lezen om draait.

Het is geschreven door Edward van de Vendel.

Wat je moet doen als je moeder huilt

Ga naast haar zitten,

tegen haar aan geschoven:

je armen van onder tot boven

dicht op die van haar.

Laat het praten maar aan vaders over,

aan vriendinnen en aan zussen,

en je hoeft de tranen ook niet

van haar slapen af te kussen,

je hoeft niets te begrijpen,

niets te vragen.

Je hoeft haar alleen maar

te schragen –

Schragen, dat betekent steunen,

met je lichaam dus.

Als ze voelt dat ze eventjes op je mag leunen

spoelt er een beetje gedoe

uit haar hoofd.

Hoe?

Dat doet er niet toe.

Iets met draagkrachtverschuiving

en onverwachte aandachtshydrauliek,

Maar de precieze mechaniek

maakt jou en je moeder natuurlijk

niets uit:

je zit huid aan huid

en je merkt

na een fijne, zachte tijd

dat het werkt.

Mama giet eindelijk

geen verdriet meer op de dingen

en buiten begint de zon

Griekse liedjes te zingen.

Dit gedicht wilde ik met u delen omdat het laat zien dat het niet de codes, stempels en oefeningen zijn die veiligheid bieden, maar de woorden zelf.

Er is geen kind, geen mens dat zich raad weet bij een huilende moeder, want als je moeder huilt, lijkt het of de hele wereld huilt. Wat heb je dan aan al die gemankeerde meerkeuzevragen en aan al die schijnveilige Avi-niveaus. Het zijn de woorden en de verhalen die je vertellen wat je zou kunnen doen. Verhalen die je schragen.

Leeggetrokken bankrekening

Afgelopen jaar publiceerde Pjotr van Lenteren, jeugdboekenrecensent van de Volkskrant, een lijst met nieuwe klassiekers. Natuurlijk was dat een greep uit vele mooie boeken, maar het was wel een gelukkige greep.

De dichtbundel Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt, waaruit bovenstaand gedicht van Edward van de Vendel komt, stond erbij. En Lampje, natuurlijk. Rob Ruggenberg godzijdank. En ik was blij Tjibbe Veltkamp erop te ontdekken en Leo Timmers en het fantastische onveilig-lerenlezenboek van Maranke Rinck en Martijn van der Linden over Bob Popcorn. De boeken over Bob Popcorn verschijnen in een serie voor beginnende lezers waarbij Avi geen rol meer speelt. Wat wel een rol speelt? Lol hebben. Wíllen lezen. Verdwijnen in een wereld zonder rotopdrachten en saaie voorgeprogrammeerde paden met rubberen tegels. De serie heet: Tijgerlezen. Erachter staat in kleinere letters: gelukkig leren lezen. En dat is precies wat er moet gebeuren: lezers gelukkig maken.

In deze lezing heb ik een tweehonderdnegenenzestigste reactie willen geven. Ik heb onder andere willen aantonen dat de macht van sommige uitgevers veel te groot is geworden, waardoor we geëvolueerd zijn tot een lamgeslagen leesvolk. We laten het allemaal gebeuren en we trappen er massaal in. Telkens bedenken de ontwikkelaars van leesmethodes er een code bij om kinderen nog veiliger en beter te laten lezen. En hup, daar trekken die bedrijven de bankrekeningen van de scholen weer leeg.

Intussen wijzen de statistieken uit dat we er juist harder op achteruit gaan. We moeten ons losmaken uit de greep van de huidige leesdictatuur. Weg met de bedenkers van lesjes en codes. Daarnaast zouden al die leerkrachten zelf leesonderwijs moeten gaan volgen, want ook zij zijn besmet met het veiligheidsvirus.

We vergeten dat een vangrail een functie heeft. En wij volwassenen moeten een vangrail zijn voor kinderen die leren lezen. Misschien lopen we allemaal wat butsen op, misschien zijn er kinderen die onderuitgaan en die we weer op weg moeten helpen, maar dat doen we met mooie verhalen, dat doen we door ze telkens weer opnieuw op pad te sturen. Door te schragen. Terug het avontuur in waar een onbekende wereld op hen wacht. De wereld van toen, maar ook de wereld van nu. Daar is alleen maar een beetje durf voor nodig en een beetje avontuurlijkheid.

Dit is een verkorte versie van de Albert Verwey-lezing waarmee Bibi Dumon Tak woensdag haar gastschrijverschap aan de Universiteit Leiden afsloot. De gehele lezing is in beperkte oplage uitgegeven door Querido (44 blz. € 7,50).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.