We komen om in de spullen, maar gooien ze net zo makkelijk weer weg

Essay pleit voor minder kopen – en het koesteren van wat we hebben. „Voorzie zelfs het nietigste van een ziel, word er vrienden mee, of familie.”

Foto Mariët Meester

Op een avond, het schemerde al, slenterde ik door een naburige straat en zag ik op de stoep een berg afval liggen. Staken uit de prullenbak ernaast nou echt de kop en de voorpoten van een tijger? Oren, ogen, kanjers van klauwen, de zwarte tekening op de goudgele kop: er gluurde echt een tijger over de rand en geen kleintje ook. Iedere dag maak ik minimaal één foto, ik had nog niets, dus ik schakelde de flits van mijn toestel in en probeerde het tafereel zo goed mogelijk vast te leggen. Daarna had ik ineens een relatie met het dier en begon ik het zielig te vinden dat hij in dat gat was gepropt, groot als hij was, gaaf als hij was, zacht als hij was.

En zo mocht de tijger onder de arm mee naar huis. Daar bracht ik voorzichtig mijn neus naar zijn vacht: geurloos. Voor de zekerheid ging hij toch in bad, in een grote plastic kuip werd hij zorgvuldig gewassen, zijn hoofd als dat van een onschuldige baby boven het schuim. Toen hij al een tijdje op de vloer van de douche lag uit te druipen en ik de badkamer weer binnenstapte, mijn gedachten bij iets anders, kreeg ik bijna een hartaanval. Ook later, in opgedroogde toestand, liet hij me telkens schrikken, zodat hij moest verhuizen naar een schrijvershuis dat ik had opgericht, een afgelegen pand met hoge kamers waarvan sommige leegstonden. Mij leek het prettig voor degenen die er in hun eentje aan een boek zaten te werken om toch enig gezelschap te hebben, maar voor de zekerheid legde ik hem wel in een zijkamer.

Al snel bleek de tijger een lakmoesproef waarmee twee menstypes zich van elkaar onderscheidden. Van tevoren waarschuwde ik iedere nieuwe bewoner, en toch slaakten de meesten een kreet zodra ze de zijkamer binnenkwamen. Ze bezielden het dier onmiddellijk met leven. Anderen daarentegen, en dat schokte me, gaven geen krimp en zeiden zelfs bij een onverwachte confrontatie: „Een speelgoedbeest, nou en? Wat moet je met zo’n pluchen pop, gooi dat ding toch weg.”

Het zou weleens kunnen dat de manier waarop je kijkt, regelrecht invloed heeft op de manier waarop je met spullen omgaat. Amos Oz beschrijft in zijn meesterwerk Een verhaal van liefde en duisternis zijn jeugdjaren, die hij met zijn ouders doorbracht in een benauwd kelderwoninkje in Jeruzalem. Dankzij de vertaling van Hilde Pach komt de rijkdom van zijn fantasie ook in het Nederlands goed naar voren. De woning van zo’n dertig vierkante meter staat vol boeken, speelgoed lijkt de jonge Amos niet te hebben. Maar hij heeft paperclips, een pakje punaises en een inktpot die hem aan een watertoren doet denken, hij bouwt er een kibboets mee die wordt aangevallen door een bende plunderaars – een stuk of twintig knopen – en vervolgens veranderen de punaises als vanzelf in zeeschepen en de paperclips in onderzeeboten. Lepeltjes zijn voor de kleine Amos een vloot vliegtuigen, dominostenen transformeert hij in angstaanjagende wolven en van eierdopjes stelt hij een rij verdedigingswerken samen.

Foto’s Mariët Meester

Regelmatig moet ik aan zulke passages denken, vooral wanneer er naast de ondergrondse vuilcontainers bij mij in de straat voor de zoveelste keer een stapel spullen is neergesmeten of domweg onder de boom voor mijn huis is gedeponeerd. Het is een straat waar Tesla’s, Jaguars en Porsches aan de laadpaal staan, maar waar sommige bewoners er kennelijk zo’n armzalige mentaliteit op nahouden, dat ze voorwerpen die ze ooit hun leefruimte binnenhaalden geen enkele adem konden inblazen. Ze willen zich er zelfs dermate snel van ontdoen, dat ze niet eens de dag van de week kunnen afwachten dat de grofvuildienst komt.

Regelmatig pak ik iets mee uit zo’n afvalhoop, de laatste keer was het een puntgave stenen sierpot met de prijssticker van 30 euro nog onderop. Een paar maanden eerder bracht het buurtafval zelfs een verrassing die welhaast van hogerhand geregisseerd leek te zijn: de gitarengek met wie ik samenleef, kon vijf meter van onze voordeur een elektrische gitaar van de stoep oprapen, „een heel goede Gibson-kopie”. Een week later redde hij honderd meter verderop een Fender die op de vuilniswagen lag te wachten, akoestisch en weliswaar een goedkoper model, maar onbeschadigd en met de snaren er nog op.

Hoe dan ook zitten we in Nederland met een walgelijke overvloed aan spullen. Alles wat we kopen lijkt langer afval te zijn dan dat het de vorm van een ding heeft aangenomen. We kotsen onze afdankertjes uit, als braaksel gaan ze naar de stort. Ook in de rest van de wereld lijkt een besmettelijke vorm van hoarding te zijn opgekomen, een verzamelepidemie die zo hardnekkig is geworden dat we het er zelfs voor over hebben onze eigen leefomgeving ermee te verstikken. In het gunstigste geval brengen we de dingen waarvan we ons willen ontdoen naar een kringloopwinkel, maar ook daar jongt de voorraad aan, we mogen blij zijn als onze gulle gaven er worden aangenomen.

Laatst was ik op twee achtereenvolgende zaterdagen in zo’n zaak, een grote. De tweede keer bleek het assortiment er alweer anders te zijn dan de eerste. Zelf ben ik ook niet bepaald een heilige: hoewel ik recent mijn werktafel heb opgeruimd, een oppervlak van slechts twee vierkante meter, tel ik er toch nog drieëndertig voorwerpen op, waarbij ik mijn laptop als één voorwerp reken, evenals een wankele papierstapel van zo’n vijfentwintig centimeter hoog. En laatst heb ik voor mijn bureaustoel een ergonomisch zitkussen uit China aangeschaft, dat ongetwijfeld in een gigantisch containerschip naar me toe is getransporteerd.

Foto’s Mariët Meester

Om mijn moedeloosheid over dit onderwerp te verdrijven, heb ik geprobeerd eerst maar eens te begrijpen wat er aan de hand is. De Duitse historicus Frank Trentmann doet in zijn boek Empire of Things een stap terug, zoals hij zelf schrijft, om vanuit historisch perspectief te bekijken hoe de wereldwijde consumptie zich de afgelopen vijf eeuwen heeft ontwikkeld. In de introductie begint hij al meteen met een sprekend voorbeeld: in het ‘rijk der spullen’ bezat de gemiddelde Duitser in 2016, het jaar van publicatie van het boek, maar liefst 10.000 objecten.

In premoderne tijden werden voorwerpen doorgegeven: je kreeg ze cadeau, ze zaten in de bruidsschat of je erfde ze van een voorvader, maar als gevolg van de toegenomen mogelijkheden is dat gaandeweg veranderd en zijn we ze zelf gaan kopen, waarbij ze steeds sneller door ons leven racen en er in rap tempo ook weer uit verdwijnen. Modes en behoeften wisselen elkaar af, ook in andere delen van de wereld, zodat we gevangen zijn geraakt in een cyclus van werken en uitgeven, werken en uitgeven. Trentmann, die objectief probeert te blijven, citeert activist Neal Lawson, die in 2009 in The Guardian schreef: „De goelag is vervangen door Gucci.”

Na Empire of Things heb ik er ook nog een ander boek bij gepakt, van het soort waarvan ik er in de loop van de jaren al vele heb gelezen, over de gevolgen van het menselijk handelen en de kansen die we hebben om ‘eco-positief’ te gaan leven. Toch kent De verborgen impact van Babette Porcelijn één aspect dat nieuw voor me was: na veel uitzoekwerk heeft zij ontdekt dat van alles wat we als mens ondernemen, het kopen van spullen de grootste nadelige gevolgen heeft. Je zou denken dat vliegen, autorijden of het eten van vlees het schadelijkste zijn voor milieu en klimaat, maar nee, dat is het gedrag dat Trentmann zo welsprekend beschrijft: ons vraatzuchtig materieel verlangen. Dat zit hem niet eens in het gebruik, en zelfs niet in het weggooien, het zit hem voor maar liefst 94 procent in dat wat zich buiten ons blikveld afspeelt voordat de spullen ons bereiken: het mijnen van de grondstoffen, de uitstoot van broeikasgassen tijdens het fabricageproces, het vervoer over grote afstanden naar ons toe.

De oplossing kan volgens Porcelijn worden gevonden in een mix van mogelijkheden op persoonlijk niveau en in groter verband. Minder kopen, kleiner gaan wonen, dingen delen en repareren, je geluk niet meer uit bezit, maar uit ervaringen halen, nooit meer iets aanschaffen dat is gemaakt om snel kapot te gaan, druk uitoefenen op politici en fabrikanten, de ontwikkeling van cradle-to-cradle productie stimuleren waarbij grondstoffen voortdurend opnieuw worden gebruikt, consumptiegoederen een verkoopprijs geven waarin ook de kosten van vervuiling en watergebruik zijn meegenomen: we kunnen het allemaal eigenlijk ook wel zelf bedenken.

Persoonlijk koop ik de laatste tijd, behalve wanneer dat onmogelijk is zoals bij een ergonomisch zitkussen, het liefst tweedehands. Het aanschaffen van iets nieuws kan me niet meer bekoren, de keuze is gewoonweg te groot geworden. Ben ik bereid de komende jaren mijn genegenheid op deze theepot te projecteren of moet het toch een andere uit het woud van honderden theepotten gaan worden? Een nieuw product moet wel héél erg zijn best doen om tot mijn bestaan te mogen behoren, terwijl dat probleem in de kringloopwinkel niet speelt, daar gaan er geen eindeloze beraadslagingen of zoektochten op internet aan vooraf. ‘Hé, wat een grappig bol buikje heeft deze pot, 3 euro maar, deze schoonheid mag met mij mee!’

Foto’s Mariët Meester

Een van de redenen dat het wereldrijk der dingen zich zo snel heeft uitgebreid, schrijft Frank Trentmann, is dat bezittingen niet alleen uit dode materie bestaan. In de loop van de geschiedenis zijn ze steeds belangrijkere dragers van identiteit, geheugen en emoties geworden. Voor degene die ze om zich heen verzamelt, zijn ze bijna vrienden of familie. Kleding, auto’s en andere objecten waarderen we niet alleen om hun praktische gebruik, maar ook om de gevoelens die ze bij ons opwekken.

Vermoedelijk liggen juist daar de beste kansen voor een nabije toekomst waarin we het doen met minder spullen, die we per stuk in een grotere mate gaan koesteren. Mensen die in staat zijn zelfs het nietigste van een ziel te voorzien en er vrienden of familie mee te worden, zullen het minst snel op zoek gaan naar vervanging. Waarschijnlijk leiden zij een rijker, veelzijdiger en avontuurlijker leven dan degenen die van een pluchen pop geen tijger kunnen maken. Dat is geen antropomorfisme, bij antropomorfisme ken je aan een dier de eigenschappen van een mens toe, in dit geval maak je van een massaproduct een individu.

Ik denk dat we allemaal een Amos Oz moeten gaan worden, of een Robert Rauschenberg, de Amerikaanse kunstenaar die gevonden materialen in zijn beelden en collages verwerkte. Tijdens de beginjaren van zijn carrière raapte hij in New York verweesde paraplu’s en andere spullen van de straat en zei hij dat hij „medelijden had met mensen die denken dat dingen als zeepschoteltjes, spiegels of colaflessen lelijk zijn”. Beeldend kunstenaar Klaas Gubbels gaat in zijn oeuvre nog een stap verder, hij is in staat de wereld te betoveren. Als hij een tafel schildert, maakt hij er meteen maar een beest met vier poten van, of een vrouw met borsten.

De tijger maakt het intussen uitstekend, hij heeft zich zelfs gevestigd op een tropisch eiland. Toen het schrijvershuis ophield te bestaan, was er net een buurvrouw aan het scheiden die op korte termijn behoefte had aan meubilair. Ze nam niet alleen de bank mee die ik uit een van de afvalbergen van mijn stadse straat had opgevist, maar ook het grote, gave en zachte wezen dat ooit in een prullenbak ten dode opgeschreven leek te zijn. Niet veel later emigreerde ze naar Bonaire en deelde ze op Facebook een filmpje van haar interieur. Op de leuning van de bank, zijn poten loom aan twee kanten, zag ik koninklijk de tijger prijken.