Hans Boland

Foto: Kees van de Veen

‘Dat de vertaler van Amanda Gorman zwart moet zijn, of een vrouw. Wat is dat voor onzin!’

Interview Onlangs publiceerde Hans Boland een vertaling van dertig verhalen van Tsjechov. Zijn vertaalfilosofie zette hij uiteen in een begeleidend boekje, waarin hij zijn gewaagde keuzes toelicht. „Een gefrustreerde vrouw die een ketel kokend water over een baby gooit – dat maakt het Russisch.”

Het ‘Siberië van Nederland’, zo noemt Hans Boland zijn woonplaats. In een slaperig dorpje bij de Duitse grens, prachtig gelegen tussen de Groningse weilanden, vertelt dit ‘postpaard van de beschaving’ (zoals Poesjkin vertalers ooit noemde) over zijn visie op het vertaalvak. Die visie is redelijk eigenzinnig. Boland ziet vertalen als toveren met taal – „Dus niet ‘goochelen met taal’, zoals NRC over mijn Anna Karenina-vertaling schreef” – maar tegelijkertijd onttovert hij ook het valse exotisme dat soms aan Russische literatuur kleeft. Hij gebruikt bijvoorbeeld geen vadersnamen à la ‘Aleksej Aleksejevitsj’, waar Tsjechov-adepten nog wel eens mee dwepen.

„Het is zo Russisch, zeggen ze dan hè. Ze kennen weliswaar geen woord Russisch, deze mensen, maar dat associëren ze met Russisch. Terwijl ze helemaal niet weten wat het betekent: je spreekt iemand met z’n vadersnaam aan als beleefdheidsvorm en dat doen wij met de achternaam.”

Het is een van de ingrepen die Bolands werk de geroemde frisheid bezorgt. In een begeleidend boekje doet hij zijn vertaalfilosofie nog eens uit de doeken. Het ergste wat een vertaler kan doen is zo precies mogelijk vertalen ‘wat er staat.’ Nee, een vertaler moet de context van een werk zo goed begrijpen, dat hij er een goede, moderne Nederlandse tekst van kan maken. Deze aanpak levert soepel lopende zinnen op, en laat veel ruimte voor eigen interpretatie. Alleen in Boland-vertaling zal een enigszins irritant Tsjechov-personage zeggen: ‘ik denk de hele tijd van …’. Ook heeft bij Boland de knappe Volodja geen ‘prachtige baard’, maar een sexyer klinkend ‘kek baardje’.

Klopt het dat u er plezier in schept om gedurfde keuzes te maken?

„Ik wil in ieder geval niet bang zijn. Bij vertalers heb ik vaak het idee dat ze bang zijn dat anderen denken dat ze geen Russisch kennen. Maar dat is natuurlijk de grootste valkuil die er is. Door vooral te laten zien dat het eigenlijk Russisch is, krijg je verwrongen Nederlands. Terwijl het ook in goed Nederlands voor iedere leek volslagen duidelijk is dat Tsjechovs verhalen in Rusland spelen, dat het over Russen gaat en door een Rus geschreven is. Het is een Russische omgeving waarin een gefrustreerde vrouw een ketel kokend water over de baby van haar schoonzusje gooit. Dat soort wreedheden. En dan ook het eindeloze gezeur over niks, dat maakt het allemaal heel erg Russisch. Dát moet je overdragen, niet ‘Aleksej Aleksejevitsj.’ Mensen lezen die namen niet eens meer. Je hebt Alexander Trofimovitsj en dan heet z’n zoon opeens Trofim Alexandrovitsj. Dat is alleen maar verwarrend.”

Voor de fans zal de grootste schrik waarschijnlijk komen bij ‘De vrouw met het hondje’, bij velen bekend als ‘De dame met het hondje’.

„Kijk, in het Russisch heb je drie woorden voor vrouw: baba, zjensjina en dama. In het Nederlands ook: wijf, vrouw en dame. Maar in Nederlands wordt ‘dame’ meestal ironisch gebruikt. Dus als je alleen die titel laat zien en mensen vraagt ‘wat denkt u bij een dame met een hondje?’ dan krijg je een beeld van een pelskraagje en een poepeloephondje, en dat is hélemaal fout. Dit is juist een heel gewoon meisje – bij Tsjechov zijn het vaak heel ‘gewone’ mensen – uit een provinciestad, getrouwd met een ambtenaar, niet heel mooi, met een vaag gevoel van ontevredenheid. Zoals echt iedereen dat heeft.”

U schrijft dat u er het liefst ‘De vrouw met de hond’ van had gemaakt.

„Ja. In het Russisch wordt een verkleinwoord gebruikt, maar Russen gebruiken altijd ‘hondje’. En als een verhaal ‘De vrouw met de hond’ heet, dan wordt die vrouw gewoon veel geiler, aantrekkelijker en spannender. Bij een vrouw met een hondje denk je eerder aan Pim Fortuyn en zijn hondjes. Maar ik heb het gevraagd aan Sophie Levie [emeritus hoogleraar Europese letterkunde die het nawoord schreef, red.] en die vond het welletjes.”

U creëert voor uw vertaalboekje het personage van een Nederlandse Tsjechov, genaamd Tsj. Af en toe suggereert u dat Tsj het misschien wel beter weet dan de Russische Tsjechov.

„De literatuur heeft zich inmiddels ontwikkeld, zeker wat vorm betreft. Nu kan alles eigenlijk. Je kan daarom niet net doen alsof er geen gigantische revolutie is geweest in de taal. Dat poets je niet weg. En dat is ook nergens voor nodig. Daar heb je die oude tekst voor, dat is de heilige tekst, dat is het origineel.”

Sommigen mensen zullen zeggen dat een vertaler juist nederigheid past, en niet moet zeggen ‘misschien weet ik het wel beter dan de schrijver’.

„Ja, dat is wel provoceren natuurlijk. Maar die hele titel van het boekje is natuurlijk provocerend, Het Nederlands van Tsjechov, dan hoor ik mensen al denken: ‘Oh, daar heb je die arrogante Boland weer, wat denkt-ie wel?’ Maar ja…, ieder zijn eigen gevoel voor humor.”

Veel meer dan over het Russisch gaat het boekje over het Nederlands. Wat zijn de misverstanden die Nederlanders hebben over het Nederlands?

„Mensen zeggen ‘het is een grove taal, een arme taal’, en ‘we hebben geen Shakespeare of Dostojevski’. Maar we hebben prachtige schrijvers. Nederlanders hebben gewoon nooit met hun taal te koop gelopen, zijn er nooit trots op. En dat is heel hypocriet, want als ze echt zo in hun maag zaten met hun taal dan zouden ze al lang Duits of Russisch hebben gesproken. In Nederland geldt: loop niet te koop met je rijkdom. Terwijl het Nederlands schatrijk is aan idiomatische uitdrukkingen. En dan komt er – onder leiding van Karel van het Reve zogenaamd – een stroming die zegt dat je vooral geen idioom moet gebruiken in een vertaling. Dan ga je dus het Nederlands helemaal verminken.”

Hoewel vertalers vaak op de achtergrond blijven, stond laatst een poëzie- vertaler enorm in de belangstelling. Marieke Lucas Rijneveld trok zich na kritiek terug als vertaler van Amanda Gorman.

„Ja, daar heb ik wel wat van meegekregen, dat vond ik zo beschamend. Het idee dat je zwart moet zijn, of een vrouw. Wat is dat voor onzin!”

Dat verbaast me. Nadat ik het boekje had gelezen had ik het idee dat u ook niet zo zat te springen om Marieke Lucas Rijneveld, omdat u kennis van de context zo belangrijk vindt. Dus als je een spoken-wordgedicht wilt vertalen van een zwarte dichteres in de VS, moet je die context wel heel goed kennen.

„Ja, dat is wat anders. Maar dan is het niet omdat ze wit is, want anders kun je zelfs van je buurman niks vertalen: jij bent hem niet. Maar in dit geval heeft uitgeverij Meulenhoff natuurlijk voor Rijneveld gekozen omdat ze commercieel interessant is. Ik haat uitgevers. Ze denken altijd eerst aan geld. Jammer, want je hebt natuurlijk echt wel betere vertalers. Maar nu is het meteen een rel geworden. Voor Meulenhoff is dat heerlijk.”

Wat vindt u ervan dat vertalers nu ook een ‘marketing tool’ worden?

„Een celebrity, God bewaar me. Gelukkig is het nu eigenlijk fout als je de vertaler helemaal niet noemt. Mijn eerste boekje was vertaalde poëzie van Achmatova. Bij Meulenhoff heb ik toen geëist dat mijn naam op de kaft kwam. Niet om beroemd te worden, ik wou de mensen niet belazeren die denken dat ze Anna Achmatova lezen. Want dat is niet waar, ze gaan Achmatova van Boland lezen.

„Achmatova had een leven waar ik met geen mogelijkheid bij kan komen. Dat Stalinisme, hoeveel ik er ook over lees, je kan daar natuurlijk nóóit inkomen. Net zoals Lucas Rijneveld niet in de ziel van Amanda Gorman kan doordringen. Dat kan niet. Maar je kan wel proberen om er dicht bij te komen.”

Dat u er als vertaler uiteindelijk nooit echt bij kunt komen, is dat niet verschrikkelijk?

„Nee, want dat geldt natuurlijk net zo goed voor de Russen die Achmatova in het Russisch lezen. Of Poesjkin – ik kom zelden een Rus tegen van wie ik het idee hebt dat die iets van Poesjkin begrijpt. En een Engelsman moet ook heel goed studeren voordat hij iets van Shakespeare begrijpt.”

U schrijft: ‘Een schrijver, dus ook een vertaler, kan alleen een authentieke toon creëren door de taal van zijn eigen tijd te hanteren.’ Betekent dat ook dat we termen die nu als racistisch worden gezien zouden moeten vervangen?

„Nee dat vind ik dan weer helemaal niet. Het is zo betuttelend, het idee dat we de mensen moeten opvoeden.”

Wat is dan het verschil met het moderniseren van een ouderwets woord als het gaat over een handeling of een voorwerp?

„Tsja, het is in de literatuur natuurlijk allemaal zo inconsequent als maar kan. Een makkelijk voorbeeld: ik heb bij Tsjechov één keer ‘borstjes’ met ‘tietjes’ vertaald. Dan weet ik zeker dat er mensen zijn die zeggen ‘wat is dat weer voor ónzin’. Maar dat meisje is te fragiel om überhaupt aan te raken, zo lief en schattig, dan vind ik het veel mooier en emotioneel veel raker om ‘tietjes’ te gebruiken. ‘Borstjes’ is zo afstandelijk en netjes. Dus het gaat uiteindelijk bij vertalen altijd om het gevoel. Dat is het mooie van elk vak in de kunst. Je kan bij Mozart ook niet zeggen dat als er een boog staat, het altijd hetzelfde effect moeten hebben.”

‘Authentiek vertalen’ doet in die zin denken aan de discussie rond de authentieke uitvoeringspraktijk binnen de klassieke muziek: moet je Bach spelen zoals het vroeger klonk, of op moderne instrumenten.

„Ja, en ik vind: er moet helemaal niks! Het is juist mooi dat het allebei kán.”

Maar u vindt wel dat het op een bepaalde manier moet, toch? U schrijft een pleidooi!

„Ja, maar in de praktijk wordt het vaak erg inconsequent. Dat ik de ene keer precies doe waar ik eigenlijk tegen ben. Alles wat rigide wordt is anti-kunst. Je moet lef hebben. Hoe het vroeger klonk is ook maar een vermoeden, dus authentiek is het wanneer het van binnenuit komt bij de uitvoerend kunstenaar. Als het niet van binnenuit komt, kun je het weggooien.”