Een mens kan iedere dag besluiten een nieuw leven te leiden

Voorpublicatie schreef een nieuw boek over haar leven in Friesland: Alles gaat over.

Foto Sake Elzinga

Zes jaar geleden verhuisde de doorgewinterde stadsbewoner en journalist Petra Possel van Amsterdam naar een piepklein dorp in Friesland. Over haar plattelandsavonturen schreef ze het boek De stad uit, dat wordt verfilmd met Lies Visschedijk in de hoofdrol.

Dit weekend verschijnt de opvolger Alles gaat over, waarin haar wittebroodsweken op het platteland voorbij zijn en ze onder ogen ziet dat ook het platteland hard aan het veranderen is. En dat de pandemie het toch al rustige dorpje nu volledig stillegt. Ze schrijft: „Terwijl mijn omgeving mij steeds vertrouwder voorkwam, veranderde de wereld om mij heen in een rap tempo. 2020 bleek niet alleen een jaartal, een meestergetal dat symbool staat voor dualiteit, het markeerde een nieuw tijdperk dat ook aan mijn kleine dorpje niet voorbij ging. En hoe hardnekkig ik ook probeerde te geloven dat alles gewoon zijn gangetje ging, er kwam een moment dat ook ik moest toegeven dat niets meer was wat het ooit leek.”

Wat wel bleef is haar verwondering over de omgeving, de natuur waarvan ze zo vervreemd raakte tijdens haar stadse jaren.

Een voorpublicatie.

Foto’s Sake Elzinga

Vogels kijken

‘Ik heb kemphanen gezien”, riep ik opgewonden tegen de Nieuwe Man toen ik met blozende wangen thuiskwam. Hij keek mij aan met een doffe blik, alsof ik net terugkwam van een ledenvergadering van de PvdA.

„Nee, échte kemphanen!”

De Zwaluwman had mij in de Workumerwaard een lesje vogels kijken gegeven. Ik had hem verteld dat ik nog geen huismus van een zwaluw kon onderscheiden. Dat ik door de weilanden liep zonder te weten welke fladderaars er om mij heen vlogen. Dat er in mijn naaste omgeving talloze vijftigers waren die inmiddels de transitie naar vogelaar hadden ondergaan, behalve ik. Ik was van het hopeloos verouderde type dat meer interesse had voor het leven tussen twee kaften dan in de lucht. En nu het aantal jaren dat ik tussen de weilanden woonde niet meer op één hand te tellen viel, werd het hoog tijd eens naar boven te kijken.

Ik besloot het serieus aan te pakken en vroeg de Zwaluwman, een wereldwijd gelauwerde professor met een Spinozaprijs op zak, of hij mij wilde leren vogels kijken.

Hij was geamuseerd, een professor van zijn formaat wordt niet vaak gevraagd om zomaar, in het wilde weg naar vogels te kijken. Maar ik heb weinig last van gêne en ga graag recht op mijn doel af en dat doel was: leren vogels kijken.

„Leuk”, zei hij, „laten we een afspraak maken. Half maart, dan valt er wel wat te zien.”

Op die zaterdag in maart stond er een felle noorderwind; ik was gekleed op een pooltocht, de Zwaluwman trok gewoon zijn jas aan, hing een verrekijker om mijn nek en startte zijn auto. Ook ecologen rijden auto.

De Workumerwaard is maar een paar kilometer van mijn dorp, het is een van de mooiste en rijkste vogelgebieden in Nederland. De vogelpopulatie is groot en wordt alleen maar groter door de inspanningen van It Fryske Gea, een club die zich bezighoudt met natuurbehoud. Het gebied ligt tegen het IJsselmeer aan, dus eigenlijk zijn het vruchtbare kwelders en dat hebben de vogels ook ontdekt.

Eerst worstelde ik nog wat met het scherpstellen van de verrekijker, maar toen ik eenmaal ontdekte wat er allemaal in de lucht en in de wei ronddartelde kon ik ’m niet meer wegleggen.

Ze vlogen zó voor mijn lens langs: grutto, kievit, goudplevier, brandgans, krakeend, stormmeeuw, zilverreiger, smient, spreeuw, kokmeeuw, meerkoet, waterhoen, wilde eend, knobbelzwaan, tureluur en die wonderschone zanger, de veldleeuwerik. Ik herkende de vogels niet, voor mij waren het allemaal eh… vogels, maar de Zwaluwman legde uit hoe ik de een van de ander kon onderscheiden. Opeens drong tot mij door dat ik als een broedkip dagenlang binnen op de bank boekjes zat te lezen en stukjes zat te schrijven, terwijl het paradijs binnen handbereik lag.

Hoe stads, hoe stom.

Het meeste indruk maakte de kemphaan, een gekke vogel, hoog op de poten met soms met een bos veren om nek en kop, een soort kraag. De kemphaan lijkt op een dronken diva, een verfomfaaide barones of een Swiebertje in vogelland, een beeld dat de Zwaluwman bevestigde.

„Kemphanen gaan slordig met hun leven om, het zijn net Russen”,vertelde hij. „Soms vliegen ze zich te pletter, gewoon omdat ze niet goed opletten. Ze behoren tot de meest bizarre vogels van deze planeet en wij, biologen snappen eigenlijk niets van ze. De mannetjes zijn veel groter dan de vrouwtjes, de mannetjes zie je het meest, maar er is ook een derde sekse.”

Een derde sekse. Was ik op het platteland nu ook in een lhbti-gemeenschap terechtgekomen? Nou, eigenlijk wel. Want, legde de professor uit, je hebt onder kemphanen mannetjes, de honkmannen, die zijn groot en houden in het voorjaar schijngevechten. Het is een en al pronken, de verentooien met de mooiste kleuren worden eindeloos geshowd. Dan heb je satellietmannen, die hangen in de outskirts rond, aan de rand van de arena waar ze het proberen aan te leggen met de vrouwtjes. Soms lukt het, maar eigenlijk hebben die vrouwtjes, de hennen, veel meer belangstelling voor de vechtjassen, de honkmannen.

En dan bestaat er dus nog een derde soort: de faar. Eerst werd aangenomen dat die faar de oervader van de kemphanen was, vandaar de naam, maar dat bleek een vergissing, de faar heeft zich later ontwikkeld. De faar is de travestiet onder de kemphanen; hij heeft de trekken van een vrouwtje, maar is in het bezit van enorme testikels, hij laat zich willig dekken door honkmannen, maar legt het stiekem aan met de vrouwtjes.

Toen ik thuiskwam zocht ik nog eens de plaatjes bij de verhaaltjes en zo verdwaalde ik urenlang in een wereld waarvan ik niet wist dat-ie bestond.

Een wereld die op twee kilometer van mijn huis bleek te liggen.


Foto Sake Elzinga
Foto’s Sake Elzinga

Cornelie

‘Mag ik een keertje naar je tuin komen kijken?”, vroeg ik zo voorzichtig dat het leek of ik een oneerbaar voorstel deed. „Ja, maar natuurlijk”, was het hartelijke antwoord van Cornelie.

„Wanneer wil je komen? Nu ja, het maakt niet uit, ik ben er altijd.” Mensen zoals Cornelie, met moestuinen en dieren, zijn niet vaak van huis, er is altijd werk op het erf.

„Kom je op de fiets?”, vroeg ze en schoorvoetend gaf ik toe dat ik met de auto kwam, die ik verzachtend ‘mijn automobiel’ noemde. Vrouwen zoals Cornelie doen alles op de fiets.

Cornelie woont in een oude vuurtoren net buiten Workum en leidt een zelfvoorzienend leven. Ze is achtenzestig en sinds een paar maanden weduwe, iets wat ze aan zag komen, haar man ging ieder jaar verder achteruit. Op het laatst kon hij nauwelijks meer zien en lopen.

Meer dan een kwart eeuw leefde Cornelie met hem, Reid de Jong, een kleurrijke en uitgesproken figuur, iedereen in de wijde omtrek kende hem. Reid was architect en keerde al jong zijn rug naar de consumptiemaatschappij. Met zijn toenmalige vrouw en zijn kinderen betrok hij een vuurtoren uit 1643 die geen dienst meer deed, maar nog wel fungeerde als lichtbaken bij de ingang van de haven van Workum. Toen hij er ging wonen, had hij geen gas, water en licht, hij had slechts de beschikking over een telefoonlijn die er ooit nog door de Wehrmacht was aangelegd. De bodem rondom de vuurtoren was kaal en zout, maar hij plantte bomen, bewerkte de grond om groente en fruit te verbouwen en nam kleinvee. Als hij vis wilde eten ging hij met zijn bootje het water op om te vissen.

Zijn weduwe Cornelie heeft inmiddels elektriciteit, die wordt opgewekt door zonnepanelen, en water dat elke drie maanden in een grote tank wordt gebracht. Zij is degene die sinds jaar en dag de hele tuinderij doet, Reid kon dat de laatste jaren fysiek niet meer opbrengen.

Ik tref Cornelie in de tuin waar ze net met zaaien is begonnen, het is er de tijd voor. De moestuin ligt er nog kaal bij, er zijn alleen nog groene, witte en rode kolen, bieten en spruiten. In de houten huisjes die ooit op het land zijn gebouwd om in de buurt van de geiten, schapen en kippen te kunnen verblijven, staan kratten met appels en peren, de oogst van vorig najaar. Op de wandrekken in die houten huisjes staan potten honing, Cornelie houdt ook bijen. In een andere ruimte staat een wiel om wol te spinnen, haar truien zijn gebreid met wol van haar eigen schapen. Bijna alles wat Cornelie nodig heeft, kan ze zelf maken of verbouwen, ze is ook nog eens een handige timmervrouw.

We zitten in rieten stoelen met de rug naar een van de huisjes gekeerd, uit de wind, we drinken thee, gedroogde verveine. Cornelie vertelt hoe ze het allemaal doet, dit leven op en van eigen land. Nu Reid er niet meer is, is het minder druk geworden; ze verzorgde hem tot het laatst en als er iets was belde hij voortdurend op vanuit de vuurtoren. Zo pendelde ze steeds heen en weer tussen hem en haar tuinderij, ze had geen moment rust. Natuurlijk zijn er veel stille momenten en mist ze hem intens, maar ze koestert haar vrijheid.

Zo kon ze laatst zomaar met een vriendin naar een vakantiehuisje, dat was in jaren niet gebeurd. Om haar heen heeft ze veel mensen verzameld om haar te helpen in de tuin of met de dieren, soms meren er boten aan en mag ze mee-eten.

Terwijl we zo in een bleek zonnetje zitten te praten over haar en mijn leven en al die momenten waarop er zich een wending voordoet, bedenk ik dat een mens iedere dag kan besluiten een nieuw leven te gaan leiden.

Dat een mens niet één leven hoeft te leiden, dat er zoveel levens zijn.

Ik heb mijn tuin opgemeten, ik kwam op zeker honderd vierkante meter. Als ik een beetje smokkel en af en toe nog naar de groenteboer ga, heb ik genoeg grond om eten te verbouwen voor mij en de Nieuwe Man. Een mens heeft namelijk maar 98 vierkante meter grond per persoon nodig om in de eigen groente- en fruitbehoefte te voorzien, las ik laatst.

Het zóú dus kunnen.

Ik zou vandaag kunnen besluiten dat dit de eerste dag van mijn nieuwe leven is.

Van mijn eigen zelfvoorzienende leven.

Een paar weken na mijn ontmoeting met Cornelie komt ze eten. Ze heeft een uur narcissen geplukt in haar tuin en er met een paar mooie bloesemtakken een vrolijk boeket van gemaakt. De Nieuwe Man zet zijn beste beentje voor en we eten paprikasoep, waterkers met bieten in zuur, gerookte ganzenborst en gestoofde peer, tartelette met hangop met groenten en bloemen, linzen met tijm, bleekselderij, laurier, jeneverbes, verschillende Friese boerenkazen en zelfgemaakte kweepeergelei.

Cornelie geniet en krijgt van de wijn rode blossen op de wangen.

Als ze voor het duister invalt weer op haar fiets stapt, verzucht ze: „Zo fijn dat er lekker en uitgebreid voor me is gekookt. Als ik ’s avonds na een lange tuindag een knol en een biet op het aanrecht leg, heb ik vaak niet meer de energie om er echt iets van te maken. Ik blijf het zo lang doen als ik kan, hoor, maar zwaar is het soms wel.”