Recensie

Recensie Boeken

Een masochistische jongensliefde

Anatoli Mariëngof Uit een roman van deze grootheid uit de Russische avant-garde komt een cynische wereld naar voren, waarin met woorden wordt gespeeld.

Wanneer in een roman de verteller al na zo’n tien bladzijden een moord pleegt, dan weet je als lezer dat je goed zit. Zeker als die moord ook nog eens in zinnen wordt gegoten als: ‘Ik hing mijn vriend op met het koord van het overgordijn. Het koord eindigde in een zware kwast met de kleur van zeildoek dat op kompressen gelegd wordt. De kwast hing aan zijn onderkaak als een baard. Het deed hem op een Assyriër lijken.’

Die passage komt uit De geschoren mens van de Russische schrijver Anatoli Mariëngof, een roman die in 1930 in Berlijn verscheen. In eigen land was zijn werk toen verboden, omdat de Sovjet-autoriteiten het een ‘anti-maatschappelijk verschijnsel’ vonden. Pas in 1988, tijdens Gorbatsjovs glasnost en perestrojka, mocht het eindelijk weer gepubliceerd worden.

Sindsdien is Mariëngof aan een geleidelijke terugkeer op het literaire toneel bezig. In Nederland gebeurde dat vooral dankzij Robbert-Jan Henkes, die in 1992 samen met Jelena Pereverzeva zijn experimentele geschrift Cynici vertaalde en nu in zijn eentje een ronduit schitterende vertaling van De geschoren mens heeft gemaakt.

Anatoli Mariëngof (1897-1962) was van adel, maar bleef, anders dan zijn meeste standgenoten, na de revolutie in Sovjet-Rusland wonen. Zijn moeder overleed toen hij een puber was, zijn vader werd tijdens de Burgeroorlog in Penza gedood door een verdwaalde kogel. Hierna verhuisde hij naar Moskou, waar hij samen met de dichter Sergej Jesenin de ‘imaginistische school’ stichtte, die het futurisme en symbolisme verwierp. In hun werk deed inhoud er niet meer toe, het ging alleen om het beeld dat in elk woord vervat was. Het leverde fraaie metaforen op, zoals de bovenstaande baard van die Assyriër.

Grote Terreur

Nadat Mariëngof in de ban was gedaan schreef hij alleen nog onbenullige literaire teksten voor theater en radio. Het had als enig voordeel dat de Grote Terreur van 1937-1938, die aan zo’n 1500 schrijvers de kop zou kosten, hem bespaard bleef. Want als hij zou zijn opgevallen, dan had hij het waarschijnlijk niet overleefd.

De geschoren mens springt na die moord alle kanten op, omdat de tien hoofdstukken chronologisch door elkaar lopen. Toch is dat nergens irritant, zelfs niet voor de loop van het verhaal. Eerder levert het een extra spanning op. Bovendien gaat het Mariëngof vooral om het beeld en dat is in veel gevallen prachtig en krachtig.

Kern van de roman is de homo-erotische liefde tussen twee 19-jarige gymnasiasten: de verteller Misjka Tititsjkin en diens uiteindelijke slachtoffer Leo Sjpreegart. Deze ‘bezienswaardigheid uit het adelsinstituut’, belandt van de ene dag op de andere in Tititsjkins klas.

Vanaf dat moment ontspint zich een voor velen herkenbare jongensverliefdheid: ‘Meteen wilde ik stervensgraag naar hem toerennen en een paar armzalige woorden stamelen, hem slijmend diensten bewijzen, een wit voetje halen met van flemerij glimmende ogen.’ Dat kan niet goed aflopen, denk je dan meteen.

Mariëngof zet die verliefdheid, die ontaardt in emotionele afhankelijkheid en vernedering, genadeloos neer. Het laconieke cynisme spat van de pagina’s en wordt alleen maar indringender zodra je door krijgt dat die masochistische verhouding vijftien jaar duurt.

Tussen de regels door besef je dan ook dat beide mannen inmiddels in Sovjet-Rusland leven en de Burgeroorlog in volle gang is, dat Sjpreegart niets van de nieuwe heersers wil weten, dat Tititsjkin van de geheime politie een pistool mag dragen en hij waarschijnlijk met het regime samenwerkt. Ook heerst er armoede, want het eten van vlees is tijdens de Burgeroorlog verboden. Zij die dat wel doen, riskeren hun leven.

Maar zulke waarheden doen er niet toe in het imaginisme. Het gaat zoals gezegd om het beeld en dat liegt er vaak niet om.

Stoer doen

Een groot deel van de roman is gewijd aan de jaren op het gymnasium van Penza, de provinciestad waar Mariëngof opgroeide. Alles draait er om macht en stoer doen. Niet voor niets begint het vijfde hoofdstuk met de zin: ‘Roem op het gymnasium werd verworven op de plee.’ Daar houdt Sjpreegart op zijn eerste schooldag een bezielende lofrede op de wc van het adelsinstituut in Nizjni-Novgorod, waar hij vanaf is gegooid. Het is alsof je door een porseleinmuseum loopt, zo rijk is de door hem gevoerde beeldspraak over onder meer ‘plechtstatige toiletpotten als antieke schalen voor punch’.

Op het gymnasium van Penza is zulke weelde ver te zoeken. De wc is een schijthuis, waar de scholieren stiekem sigaren roken en opscheppen over de keren dat ze bij de hoeren een geslachtsziekte hebben opgelopen. Als Tititsjkin er de gedichten van Alexander Blok wil lezen, wordt hij voor ‘stuk stront’ uitgemaakt, waarop een van zijn klasgenoten zijn kont met die gedichten afveegt.

De machtsverhoudingen worden nog duidelijker als Tititsjkin een maitresse krijgt, de platinablonde vrouw van een artillerieofficier, die het ook met Sjpreegart doet. Als zij tijdens een roekeloos paardrijritje langs het front met het Duitse leger door een Russische granaathuls dodelijk wordt getroffen, is het Tititsjkin die haar verminkte lichaam naar Penza terugbrengt over een weg ‘ingesmeerd met zon als met jodium’. Meteen zie je een schilderij van Malevitsj voor je.

Tititsjkin voelt voortdurend dat hij faalt in Sjpreegarts ogen. Er is dan ook weinig voor nodig om hem die moord te laten plegen. En ook dat weet Mariëngof met veel komisch cynisme te brengen.

Binnenkort verschijnen in de serie Privé-domein Mariëngofs late memoires Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen. Het is nu al iets om je op te verheugen.