Recensie

Recensie Boeken

De geschiedenis van deze Surinaamse familie is niet zo bijzonder. Dat is precies wat die zo bijzonder maakt

Slavernij Hoe schrijf je een familiegeschiedenis als er geen geschreven bronnen zijn? Dat is bijna onmogelijk, ontdekte Roline Redmond, maar ze deed het toch. Met succes.

Wasvrouwen uit Suriname, getekend door Pierre Benoit, circa 1830. Uit het boek De Doorsons van Roline Redmond.
Wasvrouwen uit Suriname, getekend door Pierre Benoit, circa 1830. Uit het boek De Doorsons van Roline Redmond.

De geschiedenis van de familie Doorson is niet zo bijzonder, en dat is precies wat het boek dat Roline Redmond erover schreef zo bijzonder maakt. Ga er maar aan staan: de geschiedenis van een gewone Surinaamse familie in kaart brengen. Het is bijna onmogelijk, er zijn vrijwel geen bronnen. Redmond ziet het aanvankelijk dan ook niet zitten als ze deze opdracht van haar oude moeder krijgt.

Eigenaren van slaafgemaakten namen vaak niet de moeite hun bezit een voornaam en een achternaam te geven. En toen ze dat wel deden, bij de afkoop van de slavernij in 1863, kregen mensen die toevallig samen in een pand woonden net zo makkelijk dezelfde naam – of ze nou familie waren of niet. Redmond weet dat haar familie uit Coronie komt, in het westen van Suriname. En dat een deel van die familie na de afschaffing van de slavernij naar Paramaribo trok, op zoek naar een beter leven. ‘Zo ontvluchtten ze Coronie, met achterlating van hun geliefden en doden, in de schriftloze graven, want lezen en schrijven konden zij toch niet, en ze keken niet meer om.’ Er is geen snipper van een brief of dagboek bewaard.

En zelfs als Redmond toch al ver gevorderd is met haar project, zinkt de moed haar alsnog in de schoenen. Een boek, wie gaat dat lezen? ‘Laten we wel wezen; het neuzen in boeken werd in de tijd waarin ik opgroeide onder creolen met enige argwaan bekeken. (…) Mijn zwarte grootmoeder Paulina, een praktisch ongeletterde vrouw, verkeerde in de stellige overtuiging dat je gek kon worden van te veel lezen.’

De moeder van Redmond kon niet tegen harde geluiden. Als een kind te veel lawaai maakte, riep ze: ‘Loop niet te gillen als een gríyo!’ Wat dat woord betekende ontdekte de schrijfster pas toen ze naar Nederland was gekomen waar ze culturele antropologie studeerde. In West-Afrika was de griot, uitgesproken als griejòt, ‘de hooggewaardeerde verteller van de familiegeschiedenis, (…) de verbale chroniqueur, het geheugen van de stam.’ Tot haar verrassing kwam Redmond erachter dat haar moeder ‘een soort van griot’ was, net als de moeder van haar moeder, en de moeder van haar oma. Maar geen van de drie vrouwen volbracht de taak die Redmond van haar moeder krijgt. Die taak is tweeledig: niet alleen moet de familiegeschiedenis in kaart worden gebracht, ook moet er een familieritueel worden uitgevoerd, de Famirman Banya. Dat is een ceremonie waarbij familieleden een symbolische terugreis naar Afrika maken – onder betere omstandigheden – door een verkleinde replica van een slavenschip te water laten. De familie krijgt zo de kans ‘om heel te worden door voor eens en voor altijd een einde te maken aan de onrust in hun lichaam en ziel’.

Willem-Alexander

De opdracht doet Redmond duizelen, schrijft ze. Hoe krijg je een familie bij elkaar zonder stamboom? Bovendien is de Banya omstreden: christelijke leden van de familie noemen het afkodree, afgoderij. Toch besluit ze uiteindelijk: ‘Het is niet anders; ik word de nieuwe griot.’

Ze begint met het deel van de opdracht dat relatief het makkelijkst lijkt: het beschrijven van de familiegeschiedenis.

In 2008 maakte ze een eerste reis naar Suriname – er zullen er meer volgen. Redmond werkt een jaar of tien aan dit indrukwekkende boek. In stad en land spoort ze familieleden op, ze speurt in schaarse archieven. Zo weet ze toch een stamboom te maken die teruggaat tot haar betovergrootmoeder, de slaafgemaakte Molly Maria Doorons (1828 of 1832-1874). Verder komt ze niet. De vader van Molly heette Jem. In de archieven vindt Redmond twee Jems (een van de twee loopt weg van de plantage). Ze geeft ze een nummer en besluit: ‘Mijn oudste voorouder heet “Jem 1 of Jem 2”.’ Op dit punt herinnert Redmond eraan dat koning Willem-Alexander geen Willem IV wilde heten omdat dat mogelijk de associatie op zou roepen met een koe, ‘Bertha zoveel’. ‘Zelf wenste ik, achteraf gezien, dat mijn voorouders desnoods de status hadden gehad van ‘een Bertha’, dan hadden ze tenminste een behoorlijke stamboom gehad.’

Roline Redmond vertelt haar verhaal een beetje met horten en stoten. Ze vat haar eigen levensgeschiedenis niet samen in één hoofdstuk: als lezer kom je er gaandeweg achter dat ze haar jeugd heeft doorgebracht in Suriname, in Paramaribo en in het plaatsje Paranam, een kleine veertig kilometer ten zuiden daarvan. En dat ze jaren bij haar oma woonde. Waarom? Dat kom je dan weer niet te weten. Ze is geboren in 1949 en werkte jarenlang als (zelfstandig) onderzoeker, onder meer voor het Verwey Jonker-Instituut, maar dat staat ook niet in het boek.

Toch is De Doorsons een boek dat je niet gemakkelijk loslaat, en dat zit ’m in de mooie mensen die Redmond ontmoet en in de prachtige verhalen die zij hen laat vertellen. Het gaat niet over politiek, en daarmee onderscheidt De Doorsons zich van de vele andere boeken die er op dit moment verschijnen over slavernij. Redmond rept niet over excuses. Slaven zijn bij haar slaven, geen slaafgemaakten. Ze vertelt gewoon, en terwijl ze dat doet leer je heel veel over de geschiedenis van Suriname.

Bedekt bovenlijf

In dat verhaal is veel ruimte voor nuances. Als de schrijver tegenover de nazaat van een voormalige slavenhouder staat, de slavenhouder waar haar familie voor zwoegde, ontdekt ze dat die familie eigenlijk niet zo veel rijker uit de geschiedenis tevoorschijn gekomen is dan die van haar. Bovendien loopt in Suriname alles door elkaar. Iemand die er zo wit uitziet als het maar kan, blijkt ook gemakkelijk een slaafgemaakte als voorouder te kunnen hebben.

Zelden zal het werk van een Surinaamse wasvrouw zo gedetailleerd en zo liefdevol beschreven zijn als in dit boek. ‘De vrouwen waren meesters in het zacht maken van het harde bodemwater uit de put, in het behandelen van vlekken en het bleken met natuurlijke middelen van bijvoorbeeld ijzer en roest. Ze gebruikten voor die zaken een scala aan kruiden volgens geheime recepten die binnen de familie bleven.’ De grootmoeder van de auteur was zo’n vrouw. ‘De rug altijd in kromming, de handen met rimpels van het water, het aangezicht vol druppels.’

De verhalen tonen een cultuur die ondanks de beperkingen van armoede vol levenskracht is.

Ken je de boterblikken van het merk Wijsman, vraagt een van Redmonds gesprekspartners. Die blikken waren enkele liters groot, en kinderen gebruikten ze om in te koken, schrijft ze. ‘Zodra de bodem van het grote boterblik in zicht kwam, begonnen de kinderen te hamsteren. Als het zover was bedelden ze om rijst, en braadden in het blik zelf de toespijs, dat zijn groenten en vlees. Alle kinderen uit de buurt brachten iets mee. Een ui, een banaan om te roosteren, wat groenten uit een moestuin, kruiden. Tegen de tijd dat wij twaalf waren, beheersten wij ook door deze speelse training de belangrijkste culinaire regels en konden we een eenvoudige maaltijd op tafel zetten. Handig voor onze werkende moeders.’ Póptji pátoe (‘poppenhuis pannetje’), is dat geen cultureel erfgoed, vraagt ze zich af.

Er staan ook prachtige passages over kleding in het boek. Creoolse vrouwen werden vanaf 1879 bij wet verplicht het bovenlijf te bedekken. ‘Lang hebben de donkere vrouwen bedekking van het bovenlichaam luchtig gehouden, aangezien het door de beide seksen uit die groep niet als een erotiserend deel van het lijf werd ervaren.’ Maar dat verandert in de negentiende eeuw. Een bedekt lichaam wordt een middel om te stijgen op de sociale ladder.

Kleding is ook tekst, stelt Redmond. Ouder dan de kóto, de jurk die vrouwen dragen is, de anyisa, de hoofddoek. De anyisa was een communicatiemiddel. ‘Aan de wijze waarop de hoed geknoopt was, kon men zien in welke stemming de draagster verkeerde, of er gevaar dreigde, of zij in vrede kwam of op ramkoers was.’

Rijksmuseum

En zo gaat het maar door. Alleen al het lezen van de verklarende woordenlijst achterin het boek is een feest.

Nog even over die anyisa. Van de vrouw van een overleden oom krijgt Redmond een antieke anyisa die van haar overgrootmoeder Constantia is geweest. Ze verwacht een kleurrijke stof. Het blijkt te gaan om een grauwbruine lap, een kwart van de omvang van een traditionele hoofddoek, met inktvlekken en slijtgaten. ‘Dit onooglijk vod was een pars pro toto, letterlijk en figuurlijk, omdat het in wezen stond voor onze nietige geschiedenis.’

Redmond is niet de eerste die probeert het slavernijverleden dichterbij te brengen. De makers van de veelbesproken tentoonstelling in het Rijksmuseum probeerden het ook, net als documentairemaakster Maartje Duin, wier De plantage van onze voorouders werd uitgeroepen tot beste Nederlandse podcast van 2020. Eerder verschenen er boeken van (roman)schrijvers als Cynthia McLeod (Hoe duur was de suiker?) en Tessa Leuwsha (Fansi’s stilte) en deze zomer volgt nog een stapel meer wetenschappelijke publicaties.

Maar Redmond verdient aandacht in al het mediageweld, dat ook wordt gevoed door de vraag of we nood hebben aan een nationale feestdag om te herinneren aan de afschaffing van de slavernij. Niet alleen schreef ze een bijzonder boek. Ook het tweede deel van haar moeders wens wordt vervuld: er wordt een Banya gehouden. Een uitgeklede, moderne versie weliswaar, zonder replica van een slavenschip. Maar met verhalen, zang, en ruimte voor bezinning. En met heel veel eten. De restjes kunnen, zoals het hoort, na afloop worden meegenomen in bakjes. ‘Het doel daarvan is van oudsher geweest dat het gezin, met name de vrouwen, de volgende dag niet van hun werk hoefden weg te blijven om te koken.’ Roline Redmond zegt geen negatieve dingen over mannen, daarvoor is ze te aardig. Maar duidelijk is wel: het zijn de vrouwen die de hoofdrol spelen.