De Amsterdamse ambtswoning: een statig pand met een duister verleden

Slavernij Talloze oud-bewoners van de burgemeesterswoning verdienden hun fortuin met de slavenhandel – in de West én in de Oost.

Herengracht 502 in Amsterdam heeft veel bewoners van dubieus allooi gekend.
Herengracht 502 in Amsterdam heeft veel bewoners van dubieus allooi gekend. Foto Robin Utrecht

Een plaquette tegen de gevel van Herengracht 502 in Amsterdam herinnert voorbijgangers aan een pijnlijk feit: dit statige pand, sinds een kleine honderd jaar de ambtswoning van de burgemeester, werd in 1672 gebouwd in opdracht van een slavenhandelaar. Eerste bewoner Paulus Godin was, zo staat er, „verantwoordelijk voor het opkopen en verkopen van Afrikanen die tot slaven werden gemaakt en vervoerd werden naar het Caribisch gebied, het vroegere West-Indië”.

Om de besmette bouwheer van de residentie onder de aandacht te brengen, is in 2006 de plaquette geplaatst. Ook vindt in de burgemeesterswoning jaarlijks de aftrap plaats voor Keti Koti-maand, de herdenkingsmaand voor de slavernij, in juni. Op 1 juli, tijdens de viering van Keti Koti in het Amsterdamse Oosterpark, zal burgemeester Femke Halsema excuses aanbieden voor het aandeel van het stadsbestuur aan de slavernij.

Paulus Godin was niet de enige bewoner van dubieus allooi op de Herengracht 502. Leo Balai, zelfstandig onderzoeker en expert op het gebied van Amsterdam en de slavernij, ontdekte dat ook latere bewoners hun fortuin verdienden met slavenhandel of verantwoordelijk waren voor andere vormen van koloniale onderdrukking. Balai deed twee jaar archiefonderzoek en schreef het boek, Herengracht 502. Slavenhandel, geweld en hebzucht, dat hij deze vrijdag aanbiedt aan de huidige bewoner van het pand, burgemeester Femke Halsema.

Diepe verwevenheid

De persoon van Godin laat zien hoe diep de Amsterdamse bestuurselite verweven was met de slavenhandel – iets wat vorig jaar ook al bleek uit een onderzoek in opdracht van het stadsbestuur. Godin was een rijke koopman, afkomstig uit een geslacht uit de zuidelijke Nederlanden dat naar Amsterdam was gevlucht. Hij was bewindvoerder van de West-Indische Compagnie (WIC), die het monopolie bezat op de Nederlandse transatlantische slavenhandel. Ook was hij directeur van de Sociëteit van Suriname, een particuliere onderneming die de kolonie Suriname beheerde.

Lees ook: ‘De Amsterdamse bestuurselite was diep verweven met de slavernij’

De burgemeesterswoning

In zijn boek citeert Balai een door Godin ondertekende ‘asiento’, een contract voor het leveren van slaven door de WIC aan Spaanse gebieden in Zuid-Amerika en de Cariben. Het gaat om „een getal van aghtienduijsent negros slaven stucken van Indien”.

Na Godins overlijden werd ‘het huis met de kolommen’ bewoond door zijn dochter. Die was getrouwd met een telg uit een andere schatrijke familie, Cornelis Bors van Waveren. Ook hij was bestuurder bij de WIC en de Sociëteit. En zo had vrijwel iedere eigenaar of huurder door de eeuwen heen wel een schoonvader, zwager of zoon die betrokken was bij de slavenhandel. „De Amsterdamse elite trouwde in heel kleine kring”, zegt onderzoeker Balai, „en ze speelden elkaar voortdurend de bal toe bij het bekleden van belangrijke functies.”

Onderdrukking en uitbuiting

Opmerkelijk is dat de bewoners van Herengracht 502 niet alleen hun geld verdienden in ‘de West’, maar ook betrokken waren bij onderdrukking en uitbuiting in ‘de Oost’: het voormalige Nederlands-Indië. Neem Jacob Theodoor Cremer, president-directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), die het pand in 1907 kocht. Als tabaksplantagehouder in Indië was hij de geestelijk vader van de ‘koelieordonnantie’, die Chinese arbeiders van overheidswege onderwierp aan een draconisch regime.

Terug in Nederland was Cremer als parlementslid en minister van Koloniën een groot pleitbezorger van de Atjeh-oorlog (1873-1914), waarin het koloniale leger de bevolking van de opstandige provincie op het eiland Sumatra met grof geweld onderwierp. Toen een kritisch Tweede Kamerlid tijdens een debat begon over de mensonterende omstandigheden waaronder de koelies op Sumatra leefden, zei minister Cremer tegen hem dat diens toespraak hem verveelde.

Descartes en Spinoza

De laatste eigenaar van Herengracht 502 was Cornelis van Aalst, eveneens president-directeur van de NHM. Hij schonk het pand in 1927 aan de gemeente Amsterdam, als burgemeesterswoning. Een fraaie geste, maar Van Aalst wenste wel eerst 62.200 gulden af te tikken voor de kostbare meubels. En hoewel sluitend bewijs ontbreekt, lijkt het er sterk op dat de zakenman een wederdienst kreeg voor zijn gulle gift. In dezelfde tijd verrees om de hoek van Herengracht 502, aan de Vijzelstraat, het nieuwe hoofdkwartier van de NHM: De Bazel. Hoewel panden aan de Vijzelstraat volgens de bouwvoorschriften slechts 21 meter hoog mocht zijn, stond de gemeente voor het majestueuze hoofdkantoor een hoogte toe van maar liefst 35 meter.

Op basis van dit en eerder onderzoek, zegt Balai, moet je concluderen dat het zelfbeeld van Amsterdam als baken van vrijheid en tolerantie in de zeventiende eeuw de nodige correctie behoeft. Ja, de Amsterdamse elite gaf onderdak aan vrijdenkers als Descartes en Spinoza, bood vervolgde Joden een veilig thuis en liet katholieken vrij in de verborgen beoefening van hun geloof. „Maar tegelijk grepen ze duizenden kilometers verderop meedogenloos in het leven van andere mensen in.”

Geen plaquettes

Je kunt, denkt Balai, over veel Amsterdamse grachtenpanden een vergelijkbaar boek schrijven. „Er ligt hierover ontzettend veel in de archieven dat nog niet is gebruikt.” Hij is geen voorstander van het plaatsen van plaquettes over de slavernij bij al die panden zonder dat daar gedegen onderzoek aan vooraf is gegaan. „Je moet het goed onderzoeken en geen kletsverhalen rondstrooien.”

Naast de excuses op 1 juli kan burgemeester Halsema volgens Balai nog een kleinere geste maken: de plaquette bij de ambtswoning laten vervangen. „De gemeente heeft hem onlangs schoongemaakt, maar hij is nog steeds grotendeels onleesbaar.”