Opinie

Nationale herdenking slavernij vraagt om debat

Koloniale geschiedenis Wat wordt er bij een landelijke slavernijherdenking eigenlijk herdacht, en hoe? Voer de discussie over de plek van slavernij in de Nederlandse identiteit, schrijft .
Gevelsteen van de zeevaarder Cornelis Tromp. Rechts van hem vermoedelijk een slaaf.
Gevelsteen van de zeevaarder Cornelis Tromp. Rechts van hem vermoedelijk een slaaf. Foto Berlinda van Dam / ANP / Hollandse Hoogte

De vier grote steden, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, roepen op tot een landelijke dag ter herdenking van de slavernij. Dat lijkt een hamerstuk, niemand kan er immers tegen zijn om de slavernij te herdenken. En toch is er een probleem: want juist dit onderwerp zorgde de laatste jaren voor heftige discussie. Voor we beginnen aan een landelijke gedenkdag is het goed om een eerlijke discussie te voeren over de plek van slavernij in de Nederlandse identiteit.

Slaafgemaakten en hun nazaten hebben sinds de afschaffing op verschillende manieren gepoogd de geschiedenis een plek te geven. Soms deden ze dat door de slavernij zo snel mogelijk te vergeten en via onderwijs en ondernemerschap te werken aan sociale mobiliteit. Soms door de verhalen van de voorouders in kleine kring in leven te houden en kracht te putten uit hun strijd. Vanaf de jaren negentig hebben we in Nederland gezien dat nazaten ook publieke erkenning zijn gaan vragen. Dergelijke publieke erkenning verhoudt zich moeizaam tot de andere twee manieren waarop men probeerde de geschiedenis een plek te geven. Uit het verloop van de publieke discussie blijkt wel dat landelijke erkenning er alleen met horten en stoten komt.

De geschiedenis van het slavernijmonument in het Oosterpark in Amsterdam toont hoe ingewikkeld landelijke erkenning eigenlijk is. Het kan leiden tot een verlies van controle over wat er wordt herdacht en hoe dat wordt gedaan. Dat werd in 2002 pijnlijk duidelijk toen met dranghekken en wapenstokken de herdenkers op afstand van de hoogwaardigheidsbekleders werden gehouden. In speeches bij de onthulling klonk een interpretatieverschil door. De gemeenschap van herdenkers stond stil bij hun voorouders en hedendaags racisme; politici draaiden het gesprek liever naar moderne slavernij en lieten racisme onbenoemd.

Dat interpretatieverschil van de geschiedenis en de herdenking zijn niet weg. Ze hoeven elkaar ook niet in de weg te zitten, maar het heeft in de afgelopen twintig jaar bij herhaling voor wrevel gezorgd.

Lees ook: Nederlands slavernijverleden: soms moet je verteld worden wat je ziet

Debat met hogere inzet

De laatste jaren heeft de gemeenschap van nazaten een manier gevonden om de herdenking niet te laten verwateren, door jaarlijks met lezingen, activistische interventies en debatten het gesprek gaande te houden. Het besluit tot een landelijk erkende dag zal die duidingsstrijd weer doen oplaaien, maar dan met een hogere inzet: de plaats van het Atlantische slavernijverleden in de Nederlandse identiteit.

Er zit een paradox in de manier waarop men in Nederland gewend is om de relatie tot de slavernij te duiden. Als we die paradox negeren, gaat het debat ons keer op keer blijven verrassen. De paradox is dit: het Westen ziet zichzelf als baken van vrijheidsliefde en anti-slavernij, maar was betrokken bij de meest recente grootschalige en geracialiseerde productieslavernij in de geschiedenis. Dus de grootste slavendrijvende beschaving ziet zichzelf vooral als de afschaffer van slavernij.

Dit wringt iedere keer als nazaten van die grootschalige slavernij vragen om erkenning van deze geschiedenis. In de afgelopen 250 jaar is slavernij overal ter wereld afgeschaft en verboden. Die afschaffing is zo categorisch dat het als een belediging wordt ervaren als iemand suggereert dat er continuïteiten zijn tussen heden en verleden. Juist in Nederland blijkt dit een gevoelig punt. De tegenwerpingen klinken altijd eender: „Anderen deden het ook, en meer dan wij”, „Zonder slavernij leefden jullie nu nog onder de klapperboom”, of zoals de Leidse emeritus hoogleraar Piet Emmer stelt: „Slavernij is afgeschaft door deftige witte heren.”

Lees ook dit opiniestuk: Voer het moeilijke gesprek over de Afrikaanse rol in de slavernij

De afschaffing van de slavernij was een grote juridische stap, maar kwam tot stand zonder dat de machtsverhoudingen wezenlijk werden aangetast. De koloniale wereldrijken keerden zich tegen slavernij, maar hielden koloniale uitbuiting en ongelijkheid in stand. Dit kon alleen zolang de stemmen van de slaafgemaakten en hun nazaten onhoorbaar werden gehouden. Er werd gedaan alsof zij zelf geen vrijheidswens koesterden en alleen door ‘deftige witte heren’ naar de vrijheid konden worden begeleid.

Uitwissen van geschiedenis

De culturele vernietiging waar nazaten tegenwoordig mee worstelen, kwam op gang in de decennia rond de afschaffing. Terwijl eigenaren financieel werden gecompenseerd, werd een ‘beschavingsoffensief’ opgezet om de taal, cultuur en geschiedenis van slaafgemaakten uit te wissen.

Westerse elites zijn zichzelf na de afschaffing een verhaal gaan vertellen over de uniciteit van het eigen vrijheidsstreven en de eigen beschaving. Van dat verhaal hebben we nog geen afscheid genomen. Dat maakt ons nog altijd tot erfgenamen van een geschiedenis van slavernij en kolonialisme. En daar moeten we wat mee als we verder willen. Gelukkig zijn we ook erfgenamen van het verzet tegen slavernij en een strijd tegen ongelijkheid en ontmenselijking. Daar zitten dan ook de kiemen voor een beter en completer verhaal over de verhouding tussen onze beschaving en het recente slavernijverleden.

Oproepen om de landelijke herdenking te richten op alle slavernij overal ter wereld doen geen recht aan de specifieke Nederlandse situatie, en tonen hoe moeilijk het is om afstand te nemen van de koloniale arrogantie waarmee het onderwerp lange tijd is behandeld.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.