Opinie

Toegang justitie tot weefsel uit onderzoek ondermijnt vertrouwen

Justitie Houd de medisch-wetenschappelijke praktijk en de opsporing van verdachten gescheiden, betoogt .
Foto Monthira Yodtiwong/Getty Images

Justitie kan lichaamsmateriaal dat is afgenomen voor medisch-wetenschappelijk onderzoek gebruiken voor opsporing van verdachten van zeer ernstige delicten. De Wet zeggenschap lichaamsmateriaal, eind mei bij de Tweede Kamer ingediend, biedt regels voor het afnemen, bewaren, gebruiken en vernietigen van lichaamsmateriaal in medische en medisch-wetenschappelijke context. Het wetsvoorstel is hoognodig, omdat regulering momenteel onduidelijk en onvolledig is. Maar het regelt ook de opsporingsbevoegdheden in deze context: een stukje weefsel dat in een ziekenhuis is afgenomen voor wetenschappelijk onderzoek, kan in beslag worden genomen door justitie om dna-materiaal te vergelijken met dna-sporen van een verdachte. De medisch-wetenschappelijke praktijk en de opsporing zijn zo op een zorgwekkende wijze verbonden.

De wet stuitte vier jaar geleden – toen nog in conceptversie – al op stevige kritiek vanwege de opsporingsbevoegdheden die er onverwachts in opdoken. Het beroepsgeheim werd buiten werking gesteld: een arts kon in bepaalde situaties niet meer weigeren om een buisje bloed van een patiënt af te geven als de politie voor de deur stond. Na alle kritiek is de wet nu aangepast en blijft het beroepsgeheim intact. Alles prachtig opgelost? Toch niet. Ook in het huidige voorstel blijft er ruimte om lichaamsmateriaal dat in een medische context is afgenomen te gebruiken voor de opsporing van verdachten. Het bevel om lichaamsmateriaal te verstrekken dat speciaal is afgenomen voor medisch-wetenschappelijk onderzoek, kan de beheerder niet weigeren, aldus de memorie van toelichting. Oftewel, als de politie voor het ziekenhuis staat, mag de arts weigeren het buisje bloed te geven waar ze een te hoog cholesterolgehalte in heeft vastgesteld, maar mag de politie wél het buisje bloed innemen dat de arts extra heeft afgenomen voor wetenschappelijk onderzoek.

Lichaamsmateriaal van 14 miljoen Nederlanders

Het onderscheid dat hierin wordt gemaakt tussen materiaal dat is afgenomen voor diagnostiek of behandeling en materiaal dat is afgenomen voor wetenschappelijk onderzoek, is in deze context kunstmatig. Het medische werkveld en medisch-wetenschappelijk onderzoek zijn nauw met elkaar verweven. Verspreid over ziekenhuizen en laboratoria door het hele land ligt van ongeveer veertien miljoen Nederlanders lichaamsmateriaal opgeslagen: uitstrijkjes, bloed, galstenen, stukjes bot, spermacellen, en ga zo maar door. Het overgrote deel is in eerste instantie bedoeld voor diagnostiek of behandelingsdoeleinden, maar er is ook een groot deel dat speciaal voor wetenschappelijk onderzoek is afgenomen. Regelmatig wordt er bij patiënten (na toestemming) een extra buisje bloed afgenomen voor onderzoek. Daarnaast telt ons land vele biobanken die voor onderzoek afgenomen lichaamsmateriaal opslaan.

Lux et Libertas Lees ook: Toegang van politie en OM tot biodatabanken onjuist en gevaarlijk

Om in het geval van opsporing onderscheid te maken tussen materiaal dat voor onderzoek en voor diagnostiek is afgenomen, lijkt willekeurig. Een voorbeeld. Een patiënte bezoekt de gynaecoloog en laat een uitstrijkje maken voor vaststelling van mogelijke baarmoederhalskanker. Daarnaast geeft zij toestemming voor het maken van een extra uitstrijkje voor wetenschappelijk onderzoek. De inbeslagname door justitie van de ‘onderzoeksuitstrijk’ is dan vanuit het perspectief van het medisch beroepsgeheim misschien minder problematisch dan de inbeslagname van de diagnostiekuitstrijk, maar feit is dat ze beide in een medische context zijn afgenomen en dat de ‘onderzoeksuitstrijk’ opeens voor een volledig ander doel wordt ingezet: opsporing door politie.

Dit zet het vertrouwen, dat essentieel is in het medische domein, onder druk. Dat gaat niet alleen om het vertrouwen in een enkele arts, maar ook in ziekenhuizen, onderzoekscentra en de medische wetenschap. De wetgever redeneert dat justitiële toegang al mogelijk is (omdat ‘voorwerpen’ nou eenmaal in beslag kunnen worden genomen en een buisje met bloed simpelweg ook een voorwerp is). Nog los van de vraag in hoeverre die redenering hout snijdt, heeft dit wetsvoorstel juist als doel mensen meer zeggenschap te geven over hun lichaamsmateriaal – de toegang daartoe van justitie ondermijnt dat.

Toegevoegde waarde voor opsporing zeer beperkt

Misschien zou je nog kunnen zeggen dat justitiële toegang tot dit lichaamsmateriaal niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat het toch echt onmisbaar is om een verdachte van een gruwelijk misdrijf te identificeren. Dat is echter zeer de vraag. Het wetsvoorstel schrijft voor dat materiaal alleen in beslag kan worden genomen als de identiteit van de verdachte bekend is én vermist, voortvluchtig of overleden is. Het kan dus alleen als politie al wéét wie de verdachte is, of deze in het vizier heeft. De toegevoegde waarde is daarmee zeer beperkt. In zaken zoals de moord op Marianne Vaatstra of Nicky Verstappen was de politie juist lange tijd op zoek naar de identiteit van de verdachte; dit wetsvoorstel zou waarschijnlijk niets hebben kunnen bijdragen aan de oplossing van deze zaken. Nog los van het feit dat elke crimineel na invoering gewoon geen toestemming geeft om een extra buisje bloed af te nemen in het ziekenhuis.

De meerwaarde voor de opsporing is dus zeer beperkt, terwijl er wel een groot risico wordt genomen met het vertrouwen in, en de deelname aan, medisch-wetenschappelijk onderzoek. Het zal wellicht maar heel zelden voorkomen dat justitie daadwerkelijk van deze verregaande mogelijkheid gebruikmaakt. Toch is het kwaad dan al geschied. Een handvol opsporingszaken alleen al kan het vertrouwen aantasten. Nu we in een pandemie opnieuw zien hoe belangrijk vertrouwen in de medische wetenschap is, is het des te zorgwekkender dat het kabinet niet koste wat kost dit vertrouwen wil beschermen. Hoe verleidelijk de reusachtige biobanken ook mogen zijn voor de opsporingsautoriteiten, de medisch-wetenschappelijke praktijk en de opsporing van verdachten dienen strikt te worden gescheiden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.