Recensie

Recensie Beeldende kunst

Ruik zelf hoe baby’s stonken in de zeventiende eeuw

Tentoonstelling Een mooie expositie in het Mauritshuis geeft met veertig schilderijen en prenten vorm aan de geuren van vroeger. Het is fascinerend te ruiken wat de zeventiende-eeuwer rook.

Jan Miense Molenaer, Reuk (1637) uit zijn serie allegorische voorstellingen ‘De vijf zintuigen’.
Jan Miense Molenaer, Reuk (1637) uit zijn serie allegorische voorstellingen ‘De vijf zintuigen’. Foto Mauritshuis, Den Haag

Te ruiken of niet te ruiken, dat is de kwestie. Maar ook: te rieken of niet. Eén letter in het werkwoord maakt het verschil tussen opsnuiven en geuren, ruiken en te worden geroken. De roman Het parfum (1985) van de Duitse schrijver Patrick Süskind, die eind vorige eeuw enorm populair was en nu weer wat vergeten lijkt, beschrijft de wederwaardigheden van een lustmoordenaar voor wie beide aspecten van de reuk essentieel zijn. De hoofdpersoon, Jean-Baptiste Grenouille, wordt geboren op een vismarkt in het achttiende-eeuwse Parijs en door zijn moeder achtergelaten tussen de stinkende koppen en graten. Later blijkt hij te beschikken over een extreem goed reukvermogen dat hem in staat stelt exquise parfums samen te stellen. Merkwaardig genoeg geeft Grenouille zelf geen lichaamsgeur af. Dat zijn aanwezigheid daardoor vaak niet wordt opgemerkt, geeft hem de mogelijkheid duistere praktijken ten uitvoer te brengen. Het zegt ook iets over de werking van geuren: je ziet ze niet maar ze zijn er wel; en als ze er niet zijn, mis je meer dan je denkt.

De schijnbare onverenigbaarheid tussen beeld en geur is het uitgangspunt van een mooie en onderhoudende expositie in het Haagse Mauritshuis. Zo’n veertig schilderijen en prenten uit de Hollandse zeventiende eeuw verwijzen naar geuren, vertellen verhalen waarin die een rol spelen, en roepen ze zelfs op. Van een overdadig bloem- en fruitstilleven zoals Abraham Mignon het omstreeks 1670 schilderde, is het gemakkelijk je er een voorstelling van te maken. Met bloeiende bloemen zoals rozen, en vruchten als overrijpe pruimen en een aangesneden meloen, die in het schilderij mieren en andere insecten aantrekken, is het duidelijk dat de kunstenaar de bedoeling had de beschouwer de suggestie van zware geuren voor te schotelen. Zelfs met uitbeeldingen van exotische vruchten zal het zo zijn gegaan, zoals een schilderij van Albert Eckhout doet vermoeden. Eckhout maakte deel uit van het gevolg van de naamgever van het Mauritshuis, Johan Maurits van Nassau tijdens diens verblijf in Brazilië. Hij schilderde in 1642-1643 een stilleven van onder meer een sappige halve watermeloen en een grote ananas, een vrucht die toen in Europa nog onbekend was.

Abraham Mignon, Stilleven met bloemen en vruchten (ca.1670, olieverf op doek, 75 x 63 cm)

Foto Mauritshuis

Michaelina Wautier, Jongen ruikt tabak (ca. 1650-165)

Foto The Phoebus Foundation, Antwerpen

Tussen geur en stank is de scheidslijn diffuus: een moeder die, in een schilderijtje uit een reeks allegorische voorstellingen van de vijf zintuigen door Jan Miense Molenaar, de billen van haar baby schoonveegt kijkt ons ietwat berustend, maar glimlachend aan. Een man die aan tafel zit wendt zich met dichtgeknepen neus van het tafereel af. In de catalogus legt geurhistoricus Caro Verbeek uit dat geuren niet alleen sterk zijn verbonden met herinneringen, maar dat die voor verschillende mensen ook heel uiteenlopende associaties kunnen oproepen: de poep van je eigen vlees en bloed ruikt niet vies. En de walm die ontsnapt aan de pijp van een geschilderde roker roept direct de geur op van verbrande tabak, die voor de een zal samenhangen met afkeer, voor de ander met de herinnering aan een onbezorgde tijd toen het allemaal nog kon.

Zonder meer onweerstaanbaar, echter, is een klein paneel door de Brusselse schilderes Michaelina Wautier (circa 1650-1655) met de losjes geschilderde halffiguur van een jongen die vergenoegd snuffelt aan een stukje tabak.

Fascinerend

Bij een tiental geëxposeerde werken zijn in het Mauritshuis eenvoudige installaties geplaatst waaruit, na een druk met de voet op een knop, door een trechter een zweem omhoog komt van de geur die met de voorstelling kan worden geassocieerd. Een purist zou kunnen betogen dat deze extra service een zwaktebod is dat de kunstwerken een handje moet helpen, en zo hun visuele kracht relativeert. In werkelijkheid is het fascinerend de geuren te ruiken die de 17de-eeuwer opsnoof, soms nog herkenbaar, soms letterlijk voorgoed vervlogen.

De expositie sluit aan bij een grootschalig onderzoek naar historische geuren dat onlangs aan de Vrije Universiteit Amsterdam is gestart onder leiding van cultuurhistorica Inger Leemans. Zo laat de expositie je kennismaken met de kruidige, speculaasachtige geuren van de producten in een bakkerswinkel, en de ietwat bittere geur van de Afrikaanse gomhars genaamd mirre die de drie wijzen uit het Oosten volgens het Bijbelverhaal naast goud en wierook ten geschenke gaven aan het pasgeboren Christuskind.

Jacob van Ruisdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden (ca. 1670-1675)

Foto Margareta Svensson/ Mauritshuis

De odeur van zure karnemelk en bijtend loog, vermengd met die van het gras van de velden buiten de steden waar linnen werd gebleekt en in de zon te drogen gelegd, is een reconstructie van de geur van een industrie die nu niet meer bestaat. De bezoeker krijgt er een idee van bij een schilderij van Jacob van Ruisdael met een gezicht op Haarlem, waarvan de voorgrond wordt ingenomen door een bleekveld met lange stroken wasgoed. De huidige beschouwer laat zich gemakkelijk bedriegen door het geurloze schilderij, zoals men de moordenaar uit Patrick Süskinds roman wel kon zien maar door het ontbreken van lichaamsgeur, aan hem voorbij liep zonder hem werkelijk op te merken.

Dit behoort tot de verrassingen van de tentoonstelling, want als je je realiseert welke geur bij een bepaalde voorstelling hoort, kijk je anders naar dat schilderij.

Jan van der Heyden, Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal met de Oude Kerk in Amsterdam (ca. 1670)

Foto Margareta Svensson/ Mauritshuis

Putlucht

Een nog mooier voorbeeld is het Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal met de Oude Kerk van Jan van der Heyden uit de eigen collectie van het Mauritshuis. Het tafereel toont de nog altijd duidelijk herkenbare locatie in de binnenstad van Amsterdam op een zonnige, lichtbewolkte dag omstreeks 1670. De kerk gaat gedeeltelijk schuil achter een rij bomen die mooi in het blad staan. Op de kade en het water wordt gewandeld en gevaren, een vrouw doet de was en een groepje mannen is bezig grote vaten in een scheepje te laden.

Pas bij nauwkeuriger beschouwing valt een houten huisje op dat aan de zijkant van de brug is bevestigd: een openbaar toilet dat direct loost op de gracht. Even verderop staat een man met een bezem paardenvijgen bijeen te vegen die uiteindelijk ook wel in het water terecht zullen komen. Je hoeft al bijna niet meer aan de geurmachine te ruiken om een idee te krijgen van de putlucht die uit de grachten moet zijn opgerezen. Voeg daarbij de destijds vaak gebrekkige of afwezige vuilophaaldiensten en riolering in de steden, de grote hoeveelheden mensen die leefden op kleine oppervlakten en de bijbehorende dramatische hygiënische omstandigheden, en je krijgt een idee van de stank die er in een dichtbevolkte en met grachten doorsneden stad als Amsterdam zal hebben gehangen.

Het is fascinerend de geuren te ruiken die de 17de-eeuwer opsnoof, soms herkenbaar, soms voorgoed vervlogen

Veel historische geuren waren dan ook bedoeld ter maskering. De visvrouw op een schilderij van Jacob van Torenvliet heeft sterk ruikende lelies in haar kraam liggen om te verhelen dat haar koopwaar niet vers meer is. De koopster wordt tweevoudig belazerd want terwijl ze de onfrisse vis afrekent, wordt haar beurs gerold; een moraliserende voorstelling dus, die maant tot oplettendheid.

Willem van Mieris: Kruidenierswinkel (1717) Foto Mauritshuis, Den Haag

Zilveren pomander, een draagbare geurbol (Noord-Nederland, ca. 1620, hoogte 6 cm) Foto Rijksmuseum Twenthe

Vergulde geurbollen

Ook de welgestelde bovenlaag hield de stank graag uit de buurt. Bijvoorbeeld door het parfumeren van handschoenen, die zelf het product waren van de notoir stinkende leerlooierij. In prachtig bewerkte zilveren of vergulde geurbollen werden melanges van specerijen en gedroogde citrusvruchten gestopt. Aan een ketting om de hals of aan de rok hingen deze, te oordelen naar de geurreconstructies, behoorlijk zwaar ruikende pomanders altijd klaar om genot te brengen en verlichting in onwelriekende situaties. Die konden ook als gevaarlijk worden beschouwd omdat men geloofde dat bepaalde ziektes zoals de pest door de slechte lucht werden overgedragen.

De staart van de expositie bevat enkele verhalende schilderijen waarin kijken en ruiken op onderling gespannen voet staan. Zo bedriegt de Bijbelfiguur Jacob, in een schilderij van Govert Flinck, zijn blinde vader Izaäk door zich voor te doen als zijn broer Ezau, met onder meer de jagersgeur uit diens kleding. En een indrukwekkend schilderij door Jan Lievens toont hoe Christus de opwekking uit de dood van Lazarus bewerkstelligt: helemaal onderin de compositie steken twee bleke handen uit de groeve omhoog, terwijl de omstanders in angst en verbijstering toekijken.

Hoewel de lucht van rottend vlees de enige schijnt te zijn die ieder mens, uit een ingebakken lijfsbehoud, als onmiskenbaar walgelijk ervaart, is er in dit schilderij niemand die zijn neus bedekt of dichtknijpt. Het Bijbelverhaal vertelt wel dat Lazarus’ zuster Martha zich zorgen maakt over de te verwachten lijkenlucht van de man die al vier dagen in zijn graf lag. Maar Christus antwoordt haar: „Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?” Hier overstijgt voor de gelovige het zien van een manifestatie van het goddelijke, het ruiken van de geur van het aardse.

Lees ook: Hoe rook Europa een paar eeuwen geleden eigenlijk?