Foto Martijn Senders

Interview

Dionne Stax, Eva Jinek en Anna Drijver droegen zijn creaties op de rode loper

Mode Achmed Oso (41) vluchtte uit Syrië naar Nederland. Nu presenteert hij zijn nieuwe modecollectie. „Ik groeide op tussen de stoffen en een ratelende naaimachine.”

Een jongeman van twintig was Achmed Oso (41), toen hij voor het eerst in Nederland aankwam. Kort daarvoor had hij zijn ouders, elf broers en zussen en thuisland Syrië verlaten om elders een veilig bestaan op te bouwen. Modeland Italië was het plan, maar de eerste beschikbare vlucht leidde hem naar Nederland, waarna hij niet meer door mocht reizen.

Aanspraak maken op studiefinanciering kon niet zolang zijn asielprocedure liep, dus verdiende Oso geld met het maken van kleding voor vrienden en kennissen, en volgde hij daarnaast verschillende modeopleidingen. Elf jaar geleden richtte hij in Oegstgeest Oso Couture op. Zijn signatuur: kleurrijke creaties voor dames, vaak minutieus geborduurd of bezet met kralen en veertjes. Allemaal handgemaakt door Achmed zelf.

Inmiddels droegen presentatrices Dionne Stax en Eva Jinek en actrice Anna Drijver zijn creaties op de rode loper, zijn leden van het koninklijk huis vaste klanten en droeg Marianne Thieme een creatie van Oso Couture tijdens Prinsjesdag in 2019: een fluwelen jurk, bezaaid met geborduurde insecten en de tekst ‘alle beestjes helpen’. Deze week presenteert Oso zijn nieuwe couturecollectie Ode à ma mère, die draait om vakmanschap en detail, maar toch vooral om het verlangen naar zijn moeder.

Achmed Oso in zijn atelier. Foto Martijn Senders

U draagt uw nieuwe collectie op aan uw moeder. Waarom is dat?

„Omdat mijn moeder de belangrijkste persoon in mijn leven is. Ik heb haar al heel lang niet gezien en weet niet of ik haar ooit nog zal zien. Ik mis haar ontzettend en zij mij. Ik heb mijn vak aan haar te danken. Mijn moeder was ook couturier, ik ben opgegroeid tussen de stoffen en het ratelende geluid van de naaimachine. Wij kinderen hadden allemaal een taak: mijn oudste zussen borduurden en de kleintjes naaiden knoopsgaten.

„Ik gebruik in deze collectie mijn moeders lievelingskleuren: lichtblauw, goud en mintgroen, en een speciale techniek die ik van haar leerde. Ze maakte geen patronen, maar drapeerde, sneed en naaide direct op het lijf. Voor mijn nieuwe collectie heb ik vier stukken met diezelfde techniek gemaakt. Het resultaat is een ode aan mijn moeder, maar ook een dankbetoon, voor alles wat ze me heeft meegegeven.”

Wie waren uw moeders klanten?

„De hele buurt kwam bij ons over de vloer, bij elk feest bestelden vrouwen een nieuwe jurk en een bruid droeg op de trouwdag niet één, maar wel vijf verschillende creaties. In mijn eigen atelier krijg ik regelmatig bezoek van buurtgenoten, maar ook van carrièrevrouwen en mensen uit het buitenland. Mijn klantenkring is divers: jong, oud en in alle maten. Het verschil is de cultuur. Syriërs besteden veel tijd en geld aan hun uiterlijk. Ze houden van uitbundige kleding, terwijl veel Nederlandse vrouwen praktisch en een beetje stoer gekleed zijn. Toen ik begon zeiden mensen: ‘Je bent gek, er is hier helemaal geen vraag naar handgemaakte kleding!’”

Hoe is het u dan toch gelukt?

„Het opbouwen van mijn bedrijf was niet het moeilijkste gedeelte. Dat was daarvóór, toen ik net in Nederland aankwam, niemand kende en niets kon of mocht. Ik sprak mensen in asielzoekerscentra die al tien jaar simpelweg zaten te wachten. Ik schrok daarvan, want ik wilde werken en een opleiding volgen, maar de eerste Nederlandse woorden die ik leerde waren ‘kan niet’ en ‘mag niet.’ Dat was ongelofelijk frustrerend.

„Ik ben eerst Nederlands gaan leren, daarna heb ik verschillende modestudies gedaan. Bij elke opleiding pikte ik op wat ik nuttig vond en ging ik door naar de volgende. Zo zei de leraar na een jaar modevakschool: ‘Achmed, wat doe jij hier, jij kan dit allemaal al.’ Dus ging ik nog een jaar naar de Gerrit Rietveld Academie, waar ik het geweldig vond, maar uiteindelijk niet commercieel genoeg. Daarna deed ik een jaar Academie Artemis en nog twee jaar modevakschool M. Müller & Sohn in Duitsland.

„Na mijn studietijd kreeg ik een verblijfsvergunning en kon ik een kleine ruimte in Oegstgeest huren. De eerste paar jaar heb ik elke klus aangenomen – hoe klein ook. Ik maakte blouses en pakken voor particuliere klanten, toga’s voor de Universiteit Leiden. Na zes maanden werd het atelier te klein en ben ik overgegaan naar mijn huidige atelier en boetiek. Daar heb ik in het begin, om mijn omzet te verhogen, ook kleding van Natan en Max Mara verkocht. Na twee jaar liep mijn eigen couturecollectie zo goed, dat ik met de verkoop van die andere merken kon stoppen.

„Ik heb dat allemaal niet echt bewust geregistreerd. Ik was daar niet mee bezig, zat dag en nacht met oogkleppen op achter de naaimachine. Eén ding weet ik wel zeker: ik had nooit succesvol kunnen worden zonder de vaardigheden die ik me als kind en tiener al eigen had gemaakt in Syrië. En ik had het nooit gered als ik meteen een heel team in dienst had genomen. Ik huurde wel hulp in, maar maakte het merendeel van de couture zelf. Nog steeds gaat elk kledingstuk door mijn handen, en ontwerp ik alles zelf.”

Twee creaties uit de bruidslijn van Ode à ma Mère.
Foto’s Martijn Senders

U zei eens: ‘Mensen onderschatten me als ze mijn naam horen.’ Kunt u dat uitleggen?

„Mensen dachten vroeger regelmatig dat ik kleermaker was, zo eentje die in een achterafkamertje verstelwerk zit te doen. Dat ergerde me destijds, maar tegenwoordig niet meer. Ik ben er trots op dat ik alles op eigen kracht heb gedaan. Ik heb bijvoorbeeld nooit subsidie van de overheid gekregen, en zelfs de sociale huurwoning die ik in het begin een tijdje had, heb ik al snel opgezegd. Ik wilde het allemaal zélf doen. Dat heeft te maken met mijn opvoeding, mijn ouders zeiden: ‘Ik geef je geen vis, ik leer je zelf te vissen.’

„Natuurlijk heb ik steun gekregen, helemáál alleen redt niemand het. Vooral van mijn klanten, die me pushten om naar buiten te treden en hun vriendinnen en collega’s bij een volgend bezoek meebrachten. Ze gunnen me mijn succes en dat waardeer ik enorm.”

U vluchtte als jongeman in uw eentje via Turkije naar Amsterdam. Hoe kwam uw besluit om weg te gaan tot stand?

„Dat is de moeilijkste beslissing die ik ooit heb moeten nemen. Ik zag de situatie in Syrië elke dag verslechteren en voelde me niet veilig, was altijd gespannen. Dat uitte zich ook fysiek, als een soort griep: spierpijn, mijn keel zat voortdurend dichtgeschroefd. Ik heb door te vluchten mijn leven en dat van anderen op het spel gezet. Twee dagen na mijn vertrek stonden ze bij mijn ouders in de woonkamer: ‘Waar is jullie zoon?’ Ik kan er beter niet te veel over uitweiden, om hen te beschermen…”

Hoe heeft u afscheid genomen? U wist immers dat u uw familie misschien nooit meer zou zien.

„Dat was verscheurend. Ik heb in een park dicht bij mijn huis een uur zitten huilen.”

Oso valt even stil, en fluistert dan: „Ik heb geen afscheid genomen. Ik ben gewoon gegaan. Sorry, ik kan het er niet meer over hebben…” Later: „Mijn ouders wonen daar nog steeds, als ik ze spreek hoor ik de bombardementen op de achtergrond. Ze willen niet weg. Mijn vader zegt: ‘Ik vind mijn graf liever hier, dan in een treurig opvanghuis aan de andere kant van de wereld.’ Ik ben daar niet boos over, nee, ik begrijp hem volledig. Hoe er wereldwijd wordt omgegaan met oorlogsmigranten is niet fraai, dat gun ik mijn ouders ook niet.”

Hoe vindt u dat Nederland met vluchtelingen omgaat?

„Kijk, niemand verlaat zijn huis, werk, vrienden en familie voor de lol. Sterker nog, als je huis met kinderen en al wordt gebombardeerd, móét je gaan. Er heerst veel angst voor mensen van buiten, ik wil laten zien dat die angst niet nodig is. Dat iemand die als vluchteling naar Nederland is gekomen een positieve bijdrage kan leveren. En ik wil jonge vluchtelingen die nu in een asielzoekerscentrum zitten meegeven dat er hoop is. Als ik het kan, kun jij het ook! Als ze interesse hebben in mode, zijn ze bij mij welkom voor een stage.”