‘Java is mijn moederland, maar dat is er niet meer’

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen over het leven in de kolonie. Deze week: Heleen Zwart (Poerwodadi, 1929).

Foto Frank Ruiter

‘Een van mijn eerste herinneringen dateert van 1934, toen we in Tjepoe woonden, dat ligt in het oosten van Midden-Java. Mijn vader was bosbouwkundig ingenieur. Hij zit in zijn djas toetoep, het witte tropenuniform dat de Hollanders daar droegen, in een wijde rieten stoel. Ik zit links tegen hem aangeleund en mijn twee jaar jongere broertje aan de rechterkant. Hij leest ons met een sonore stem en een rollende r voor uit een boekje van Beatrix Potter over Peter Rabbit.

We verhuisden in 1937 naar Buitenzorg, waar mijn vader ging werken op het hoofdkantoor van het Boswezen. Ons gezin telde inmiddels vijf kinderen. Ik was het derde kind.

Ik ging naar de katholieke meisjesschool van de zusters Ursulinen. Ze hadden ook een kostschool voor Chinese meisjes. Maar daar hadden we helemaal geen contact mee.

We hadden een groepje blanke meisjes, en een groepje meer of minder gekleurde meisjes. Achteraf zeg ik wel dat er een beetje discriminatie was. Als kind begrijp je dat niet.

Mijn moeder wilde geen baboe die voor de kinderen zorgde, dat wilde ze zelf doen. Maar we hadden wel de wasbaboe en de binnenbaboe, voor de slaapkamers. Die moest bijvoorbeeld ’s ochtends de volle po’s, met deksels, legen. We hadden wel een echte wc, maar die lag achter de bijgebouwen. Daar kon je ’s nachts niet naartoe. In dat toilet was een zijdeur, die ik een keer heb geopend. Toen kwam ik uit op de plek waar de bedienden hun behoeften deden in het beekje dat ernaast liep. Ik heb daarna nooit meer die deur geopend.

Op 8 maart 1942 capituleerde Nederlands-Indië, de scholen werden meteen gesloten. Mijn vader ging naar het burgergevangenenkamp. We hebben hem daar nog één keer mogen opzoeken. Maar dat was een uurtje, met moeder en vijf kinderen, dus ik kan alleen maar zeggen dat ik hem toen voor het laatst gezien heb. Hij is op 22 februari 1945 overleden in Tjimahi. Aan ondervoeding en dysenterie.

Foto Frank Ruiter

Japanse gewoonte

Dat hoorden wij in mei 1945. Inmiddels waren mijn jongste broertje en mijn oudste zus aan ontberingen en ziekte overleden. We zaten in het Tjidengkamp in Batavia. Toen kwam er dus dat bericht uit Tjimahi dat hij was overleden. En er zat een pakje bij die brief van Japans krantenpapier met een touwtje eromheen. Mijn andere zus moest de boodschap overbrengen. En ze zei: ‘Mam, je moet sterk zijn.’ En toen vertelde ze het. We zaten allebei aan een kant van haar op het matras. Mijn moeder kon niet huilen. Op een gegeven moment begon ze allerlei klanken uit te stoten. En ze eindigde in een schaterlach. Die werd onderbroken omdat mijn zus haar een klap in het gezicht gaf. Vreselijk. In dat pakje zaten haarlokken van mijn vader en afknipte nagels. Dat was een Japanse gewoonte. Zijn bril zat erin, zijn scheerapparaat en een band voor om de arm, die we moesten dragen, met een gevangenisnummer. Misschien zat ook zijn trouwring erbij.

In december 1945 zijn we gerepatrieerd. Begin 1946 kwamen we aan in IJmuiden, toen zag ik dus voor het eerst het land waar ik wonen zou. Mijn vaderland. Indonesië, of Java, is mijn moederland. Maar dat land bestaat niet meer.

Ik ging in februari 1946 naar school in Laren. De kinderen vroegen hoe het was in Nederlands-Indië. Maar toen ik iets vertelde, zeiden ze dat het hier veel erger was geweest met de hongerwinter en de Duitsers. Nou, toen zei ik maar niets meer.”