‘Incongruente lappendeken’ in het regionaal bestuur

Raad voor Openbaar Bestuur Gemeenten zitten in een toenemend aantal regionale constructies. De Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) is kritisch over die tendens.

De Raad voor het openbaar bestuur in Den Haag.
De Raad voor het openbaar bestuur in Den Haag. Foto Peter Hilz/Hollandse Hoogte

Het aantal regionale samenwerkingsverbanden per gemeente is gegroeid tot gemiddeld 33. Daardoor is een problematische en „incongruente lappendeken ontstaan” tussen gemeente en provincie. Dat concludeert de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB), een onafhankelijk adviesorgaan van regering en parlement.

„Telkens wanneer een departement als Economische Zaken of Volksgezondheid een nieuwe wet ging uitvoeren, werd gekozen voor een nieuwe regionale constructie, boven op de bestaande”, zegt Caspar van den Berg, hoogleraar bestuurskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en lid van de ROB. Hij signaleert „een soort wildgroei waarbij de coördinatie vanuit het rijk ontbrak”.

In een rapport dat deze donderdag verschijnt, adviseert de ROB de Tweede Kamer en het komende kabinet daarom de minister van Binnenlandse Zaken wettelijk verantwoordelijk te maken voor alle toekomstige decentralisaties die gemeenten rechtstreeks raken. Nu ontbreekt regie, zegt de ROB. Vanuit het Rijk wordt onvoldoende de vraag gesteld of het lokale bestuur zich kan aanpassen aan nieuwe decentralisaties.

Lees over de ‘vierde bestuurslaag’: Hoe de regio een blijvertje werd

„Bij aanvang van het kabinet-Rutte III werd de regio omarmd, het woord kwam wel 75 keer voor in het regeerakkoord”, zegt hoogleraar Van den Berg. „De aanpak van steeds meer maatschappelijke problemen is belegd op de regionale schaal. Maar lang niet altijd zijn de instrumenten en financiën daarvoor toereikend. Daar ligt een opdracht voor het nieuwe kabinet.”

Afvalinzameling

De ROB zegt dat gemeenten vrij moeten zijn samenwerking aan te gaan; zo gebeurt afvalinzameling of belastinginning vaak om praktische redenen met meerdere gemeenten samen. Bij wettelijke taken als jeugdzorg of bij grote maatschappelijke opgaven zoals de verduurzaming en woningbouw is regionale samenwerking logisch, maar mag deze alleen onder bepaalde voorwaarden plaatsvinden, adviseert de ROB.

Onder gemeenten is steeds meer onvrede over hoe de overname van landelijke taken uitpakt. Vaak gaat de decentralisatie gepaard met verplichte vormen van samenwerking en landelijke regels, en dus met afname van de eigen beleidsautonomie.

Tegelijk is er gebrek aan geld voor de overgenomen taken. Vorige week kondigden gemeenten aan dat als er geen geld bijkomt, zij nieuwe taken die het Rijk wil overdragen, zullen negeren, zoals de Inburgeringswet en Omgevingswet.

Paardenmiddel

Eerder liep het conflict tussen Rijk en gemeenten over de financiering van de jeugdzorg zo hoog op, dat een arbitragecommissie als scheidsrechter werd ingezet. Een dergelijk paardenmiddel om een conflict tussen overheidslagen te beslechten, is uniek.

Aanleiding voor het advies van de ROB is een motie van de Tweede Kamer, die wilde weten wat de „kansen en risico’s” zijn van toenemende regionalisering in de (jeugd)zorg. Het kabinet vroeg de ROB om een breder advies, ook over de toegenomen regionalisering op andere thema’s.

Lees ook: Het geld van de gemeenten raakt op, en dat gaat iedereen merken

De regio is democratisch gezien een niemandsland

Raad voor Openbaar Bestuur

Nieuwe taken zouden volgens de ROB alleen mogen worden toebedeeld aan formele bestuurslagen met een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging. Want nu is er „een formeel niet bestaande organieke bestuurseenheid” ontstaan, signaleert de ROB: „De regio is democratisch gezien een niemandsland.”

Een andere voorwaarde zou moeten zijn dat als er veel landelijke regels worden gesteld, zoals bij de jeugdzorg, het Rijk de kosten moet dragen. „Gemeentelijke bijdragen zouden beperkt moeten blijven voor welomschreven eigen extra wensen van gemeenten”, zegt de ROB.