De gescheiden vader, de top van Justitie en het verdwenen rapport

Jeugdbescherming Een vader die strijdt tegen beschuldigingen door jeugdzorginstanties weet door te dringen tot de top van het ministerie van Justitie. Er wordt een alarmerend rapport opgesteld, maar dat verdwijnt in een la.

Illustratie Sebe Emmelot

8 februari 2018

Toren ministerie Justitie en Veiligheid

Het gesprek op kamer M802, op de achtste verdieping van een van de torens van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in Den Haag is vijf minuten aan de gang als Vincent een foto tevoorschijn haalt en op tafel legt. Het is heftig materiaal, zegt hij.

Terwijl twee van de hoogste justitieambtenaren van het land de foto bekijken, vertelt Vincent wat hem overkwam bij Bureau Jeugdzorg Utrecht. De derde aanwezige, Vincents moeder die mee is als getuige, hoeft de foto niet te zien. Zij kent de scène van een agent die haar kleindochter wegvoert. Ze was erbij.

En dan vertelt Vincent, 37, van huis uit architect, de zeer korte versie van het verhaal dat hij in de jaren daarvoor al zo vaak verteld heeft, bij de Raad voor de Kinderbescherming, bij Veilig Thuis, bij de politie, de rechtbank, en de ene na de andere klachteninstantie. Dat hij op basis van onjuiste informatie gebrandmerkt is als een gevaarlijke vader. Dat keer op keer, ook bij de rechter, is aangetoond dat informatie niet klopte maar dat hij en zijn dochter maar niet van dat stigma afkomen. Omdat hij „door schade en schande” wijs is geworden, neemt hij het gesprek op.

„Hier ziet u het handje van mijn dochter,” zegt hij tegen de twee topambtenaren. Jeugdzorg veranderde zijn omgangsregeling zonder dat er een rechter aan te pas kwam: hij mocht haar alleen nog achter gesloten deuren zien, op het kantoor van Jeugdzorg. „Ik wilde een foto maken van haar dagboekje van de crèche zodat ik het thuis rustig kon lezen, maar dat wilde Bureau Jeugdzorg niet hebben. Uiteindelijk werd ik door de politie uit het pand gezet. Mijn dochter kon het boterhammetje niet opeten dat ik voor haar had meegenomen. Terwijl ik een rechterlijke beschikking kon laten zien: kijk, ik heb het recht haar thuis te ontvangen. Dit kind hoort hier helemaal niet te zijn.”

Lees ook het nieuwsbericht bij dit verhaal: Kritisch rapport over fouten in jeugdzorg stilgehouden

Er is, zegt hij samenvattend tegen de mannen aan de andere kant van de tafel, een gebrek aan integriteit en waarheidsvinding in de jeugdzorg.

„Hmmmm”, zeggen de twee topambtenaren. De een is Ronald Barendse, die zich heeft voorgesteld als „de plaatsvervangend secretaris-generaal van dit prachtige ministerie”. Hij is de rechterhand van minister Ferd Grapperhaus (CDA), aan wie Vincent twee weken eerder een uitgebreide mail heeft gestuurd. Grapperhaus, zijn werkkamer zit even verderop, stuurde de mail door. „In dit soort gevallen zegt de minister: Barendse, doe jij ook eens wat. Kun je hier even naar kijken?”

Is het mogelijk een burger die dit meemaakt te beschermen en te ontzien?

De andere aanwezige, door Barendse geïntroduceerd als zijn „prettige collega” Martin Kuijer, is de „juridisch adviseur van de directie wetgeving en juridische zaken”. Dat zegt de meeste mensen weinig, maar justitieambtenaren des te meer. Kuijer (inmiddels raadsheer bij de Hoge Raad) is begin 2018 behalve hoogleraar mensenrechten aan de VU ook de hoogste adviseur van Grapperhaus in „juridisch-bestuurlijk gecompliceerde of gevoelige zaken”.

Hoger dan bij deze mannen kan ik niet komen, beseft Vincent, terwijl hij een uur lang vertelt en vragen beantwoordt. Het gesprek eindigt hoopvol. Dit kon wel eens groter zijn dan jouw individuele probleem, zeggen Kuijer en Barendse. Geef ons een paar weken de tijd, dan komen we bij je terug.

Tekortschietende rechtsbescherming

Dit verhaal over vader Vincent gaat niet over een moeilijke echtscheiding, maar over de kafkaëske situatie waarin hij daarna terecht kwam. Over tekortschietende rechtsbescherming voor ouders en kinderen die met jeugdzorg te maken krijgen. Dat laatste is voor het ministerie van Justitie en Veiligheid al zeker een decennium een bekend probleem. „Je kunt beter verdacht worden van een misdrijf dan van falen in de opvoeding”, zei hoogleraar jeugdbescherming Ido Weijers in 2013 in NRC, vooruitlopend op de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten. Het is ongelooflijk, vond hij, „dat er zo’n grote verschuiving in het systeem plaatsvindt, waarin je de ouders plaatst tegenover een almachtige partij, zonder dat de wetgever daar iets tegenover stelt”. Hij was zeker niet de enige die waarschuwde. De Kinderombudsman constateerde in datzelfde jaar dat rapportages in de jeugdzorg „met regelmaat” fouten bevatten en dat ingrijpende beslissingen, zoals uithuisplaatsingen, soms niet goed werden onderbouwd.

Een concreet probleem was het echter niet voor het justitiedepartement. Tot 2018, als een vader met zijn verhaal weet door te dringen tot de top van het ministerie. Uit onderzoek van NRC – gebaseerd op gesprekken met vader Vincent (hier wordt alleen zijn doopnaam genoemd vanwege de privacy van zijn dochter) en andere betrokkenen, e-mails, geluidsopnames en dossierstukken – blijkt dat de top van Justitie en Veiligheid sindsdien concrete aanwijzingen voor structurele (juridische) misstanden in de jeugdzorg aan het zicht van belanghebbenden en de Tweede Kamer onttrekt.

Powerpoint-presentatie

Toen de dochter van Vincent op een zomerdag in 2012 werd geboren maakte hij zich over duizend dingen zorgen, maar niet over de mogelijkheid dat hij jarenlang zou moeten vechten om haar te mogen zien. Ze kwam tien weken te vroeg. De opluchting die Vincent voelde op de ochtend na het laatste ziekenhuisbezoek, verdween toen hij na zijn werkdag een briefje van zijn vrouw op de keukentafel vond. „Ik wil bijkomen”, schreef ze. Ze was met de baby naar haar ouders vertrokken en bleek al gauw niet van plan om terug te komen. Zijn dochter kreeg Vincent nauwelijks nog te zien.

De weg die hij vanaf dat moment aflegt, is zó lang en vol obstakels, dat Vincent op een gegeven moment een Powerpoint-presentatie heeft gemaakt om het verhaal enigszins begrijpelijk te kunnen uitleggen. 53 slides telt die. Een moderne tragedie in zeven delen, die hij in een blauwe map bewaart.

Lees ook: ‘Jij kan niet meer voor de kinderen zorgen, nooit meer’

De eerste delen gaan over professionals die de protocollen niet volgen. Zo is er de eenzijdige melding van de huisarts van de moeder, die in het najaar van 2012 opschrijft dat Vincent mogelijk een gevaar vormt voor zijn dochter. Moeder ervaart de situatie als probleem, noteert de arts in blokletters op een formulier van het AMK, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. „Weet niet of ze hem kan vertrouwen met baby alleen thuis. [...] Met vader heb ik geen contact meer.”

De dochter wordt in het voorjaar van 2013 onder toezicht geplaatst van Bureau Jeugdzorg Utrecht. De onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming namen de suggestie van het AMK dat er bij de vader „psychische en zeer wel mogelijk psychiatrische” problematiek speelde klakkeloos over, ook nadat Vincent zich hierop liet onderzoeken en een onafhankelijke klachtencommissie vaststelde dat het AMK zich op „onvolledige en ongegronde dan wel onbetrouwbare gegevens” baseert. De klachtenuitspraak wordt terzijde geschoven – zoals vaker gebeurt in de jeugdzorg.

De gekleurde dossiers staan op naam van mijn dochter, blijven ‘ambtshalve’ 20 jaar bestaan en worden steeds maar weer geraadpleegd

Ook rechterlijke beslissingen worden genegeerd, zo blijkt in een volgend deel van de presentatie – het deel met de foto van de agent. Bureau Jeugdzorg bepaalt op eigen houtje dat Vincent zijn dochter alleen onder strenge voorwaarden mag zien, zelfs nadat een rechter oordeelt dat er „onvoldoende aanleiding” is om de omgang tussen vader en dochter te beperken. Er blijft „een verschil van inzicht” over de veiligheid van dochter bij vader, is hun argument.

De bemoeienis van de Nationale Ombudsman, die Vincents klachten over de instanties gegrond verklaart en aanklopt bij de Inspectie Jeugdzorg, brengt al net zo weinig teweeg. Volgens de inspectie is er niets aan de hand: zowel Bureau Jeugdzorg Utrecht als de Raad voor de Kinderbescherming hebben „voldoende navolgbaar” gehandeld. Het laatste deel van de presentatie gaat over de talrijke (en vergeefse) pogingen die hij daarna onderneemt om de verkeerde informatie uit de dossiers te krijgen, die veelal op naam van zijn dochter staan. Hij wil een onbelaste toekomst voor haar en – ook op papier – een normale vader zijn. Meer niet.

Na trage procedures gaat het ineens snel

Op 1 maart 2018 krijgt Vincent bericht van Martin Kuijer, de belangrijkste juridisch adviseur van Grapperhaus die hij drie weken eerder op het departement heeft ontmoet. Kuijer neemt de zaak hoog op. Het ministerie gaat in kaart brengen, schrijft hij, „of het stelsel als geheel voldoet aan de verwachtingen die burgers mogen hebben”. En dan heeft hij het over „kinderbescherming maar ook het borgen van effectieve rechtsbescherming voor een ieder.”

Vincents verhaal zou namelijk wel eens voor iets groters kunnen staan. „Deze studie gaat niet zozeer over uw individuele geval”, benadrukt Kuijer, maar vooral over „de werking van het systeem als zodanig”. Hij heeft „een senior adviseur van mijn departement, de heer Reinout Woittiez” gevraagd het onderzoek te doen.

Na jaren van trage procedures kan het plotseling snel gaan, denkt Vincent. Hij heeft kort daarvoor zijn verhaal gedaan in de Groene Amsterdammer en het artikel met als titel ‘Als insinuaties feiten worden’ naar Grapperhaus gemaild. En nu, vijf weken later, is zijn relaas opeens aanleiding voor een zwaarwegend onderzoek naar de zorgvuldigheid en rechtsbescherming van ouders in de hele jeugdzorg.

Heilig ontzag voor feiten

Drie weken later zit Vincent in zijn kantoor tegenover Reinout Woittiez, een gepromoveerd bioloog met een snor en een lange staat van dienst in de ambtenarij. Woittiez, onder meer oud-directeur van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), is aangesteld als speciaal adviseur van de top van het ministerie. Het is zijn laatste baan als hoge ambtenaar – binnenkort gaat hij met pensioen.

Woittiez heeft er zin in. Van zijn werk voor het NFI is hem het heilige ontzag van forensisch onderzoekers voor feiten bijgebleven. Terecht, vindt hij: het feitenonderzoek van het NFI maakt het verschil tussen schuld en onschuld, gevangenisstraf of vrijlating. Nu hij zich heeft ingelezen in deze casus vraagt hij zich af of onderzoek in de jeugdzorg net zo zorgvuldig gaat als bij het NFI. Dat zou wel moeten, vindt hij. De beslissingen van jeugdzorginstanties of het bureau Veilig Thuis zijn immers zeer ingrijpend voor gezinnen.

Na de kennismaking vertelt Vincent Woittiez over een recent voorval. Hij heeft met zijn inmiddels zesjarige dochter een kolenmijn vlak over de grens met Duitsland bezocht – een architectonisch hoogstandje – dat is zijn ex ter ore gekomen en zij heeft de politie ertoe bewogen een melding van internationale kinderontvoering te doen. Veilig Thuis heeft daarop het oude dossier met alle ongegronde zorgen over de veiligheid van het meisje uit de kast gehaald, en is opnieuw een onderzoek gestart.

Woittiez schrijft mee, spreekt in de weken daarna diverse ambtenaren en betrokkenen bij de casus en het bredere jeugdzorgbeleid, leest rapporten en interne documenten en is in juli klaar met zijn onderzoek. Hij nodigt Vincent uit voor de presentatie van zijn conclusies, op 24 juli op het departement. Topambtenaren Barendse en Kuijer schuiven ook aan.

Illustratie Sebe Emmelot

‘Meer dan incidenteel’

Die dag presenteert Woittiez in 24 slides het antwoord op de vraag of de casus een incident is of een patroon laat zien. Dat laatste, zegt hij in een zaaltje op het ministerie. Wat Vincent is overkomen heeft „een meer dan incidenteel karakter en is daarom niet uniek”. Exacte cijfers van hoe vaak er fouten en leugens in jeugdzorgdossier terechtkomen en vervolgens een eigen leven gaan leiden zijn er niet, zegt Woittiez. Zijn schatting: „Ten minste vele tientallen en wellicht enkele honderden keren per jaar.”

Vincent ziet zijn vermoedens bevestigd. Er zijn dus veel meer mensen zoals hij, gezinnen waarbij de jeugdzorg hard ingrijpt op basis van foutieve informatie en – om het nog erger te maken – vervolgens verzuimt haar eigen fouten te herstellen. Het staat nu op papier en de hoogste adviseurs van minister Grapperhaus weten ervan.

Er worden vervolgafspraken gemaakt. Vincent laat weten dat hij zijn ervaringen best wil delen met de instanties, zodat ze ervan kunnen leren. Dit gaat iedereen aan, vindt hij. En dus vraagt hij of hij het onderzoeksrapport, dat zijn naam draagt, mee mag nemen.

Nee, dat mag niet – is het antwoord.

5 april 2019

Toren ministerie Justitie en Veiligheid

„Ha, da’s een tijd geleden.”

Als Vincent en zijn advocaat Jan Bredius op de 27ste verdieping uit de lift stappen, staat Ronald Barendse hen al op te wachten. Hij is niet alleen. De man naast hem, met een nette zijscheiding, stelt zich voor als de directeur Sanctietoepassing en Jeugd.

„Leuk je eindelijk te zien. Ik heet Carsten Herstel.”

„Toepasselijke achternaam”, zegt Vincent. „Ben ik dan het lijdend voorwerp?”

Barendse gebaart dat ze kunnen gaan zitten. „Water? Koffie of thee?”

Sinds de Powerpoint-presentatie van Reinout Woittiez zijn ruim acht maanden verstreken. Terecht, zegt Barendse, dat Vincent weer even aan de bel getrokken heeft. Woittiez had hem ook al gebeld om te informeren naar de stand van zaken. „Maar Reinout is inmiddels met pensioen, dus ik probeer hem niet meer lastig te vallen.”

Nadat ook jurist Martin Kuijer is aangeschoven, neemt Vincent het woord. Hij had, zegt hij, na de „interessante” conclusies van Woittiez meer actie verwacht vanuit het ministerie. Zelf is hij met de landelijke directie van de Raad voor de Kinderbescherming gaan praten, het artikel uit de Groene wordt daar nu als opleidingsmateriaal gebruikt. Hij begint over de multomap met actieplannen en beleidsprogramma’s die hij bij het vorige gesprek had meegekregen. „Ik voelde me met die map wel een beetje afgescheept.” Wat heeft het ministerie gedaan, wil Vincent weten. „Ik vond dat wij erg praktische afspraken met elkaar hadden gemaakt. Eén was om te kijken: hoe gaan we hiermee om? Maar ook: is er nog een rol voor de Inspectie? Is het mogelijk een burger die dit meemaakt te beschermen en te ontzien? Die vragen heb ik een aantal keer herhaald op de mail, helaas heb ik daar geen enkele reactie op gekregen.”

Al snel wordt duidelijk waarom de mails onbeantwoord bleven: de drie topambtenaren aan tafel blijken een heel andere opvatting te hebben van wat er zou gebeuren na het onderzoek van Woittiez. „Volgens mij”, zegt Barendse, „kwamen we toen tot het inzicht dat het goed zou zijn om de casus een keer met alle loketten te bespreken. Om te kijken: wat is nu een handige les?”

Herstel: „Ik was er niet bij, maar ik heb je mails gezien en de verslagen. We zouden een vervolggesprek voeren, op metaniveau. Dat is nu.”

Jan Bredius hoort het geërgerd aan. Ze zullen het, zegt de advocaat, toch ook over een normaal, menselijk niveau moeten hebben. Over dat Vincent en zijn dochter door vervuilde dossiers nog altijd in de problemen komen. „Jullie perceptie zit aan de ene kant. Bij hem zit het zwaartepunt aan de andere kant: doe nou in godsnaam iets voor mij. Als je dit leest en zegt: ik vind het ontluisterend, wat is dan jullie vervolgstap naar hém toe?”

Blijkbaar is het „ingezette beleidsspoor” onvoldoende, constateert Barendse in het bijna anderhalf uur durende gesprek. Als de verwachting is dat er in déze casus nog actie wordt ondernomen, dan begint dat met het indienen van een klacht. Dan moet er, licht Kuijer toe, „een briefje” komen waarin duidelijk wordt gemaakt „wat exact de wensen zijn”.

Als ze weer buiten staan, zegt Bredius dat hij niet begrijpt waar het misverstand vandaan komt. Vincent weet het wel: „Ze hebben hier gewoon geen zin in, daarom proberen ze het in de beleidshoek weg te zetten.”

2021

Na de kabinetcrisis over de Toeslagenaffaire

„Hi Reinout, ons gesprek vorige week was goed getimed, gezien de nieuwe wind van rechtvaardigheid die is gaan waaien. Heb jij al enige feeling kunnen krijgen hoe er in dossiers als de mijne geacteerd gaat worden?”

Het is begin 2021 en Vincent heeft besloten dat hij het er niet bij laat zitten. In de week dat het kabinet aftreedt vanwege de Toeslagenaffaire, stuurt hij een appje naar Reinout Woittiez, de man die zijn zaak onderzocht. Woittiez is met pensioen, weet hij, maar wordt af en toe ingeschakeld door het departement, bijvoorbeeld om gesprekken over ethiek en integriteit op het ministerie te leiden. Binnen een half uur krijgt hij antwoord. Woittiez schrijft dat hij nog wacht op een telefoontje van het ministerie. „Wordt vervolgd.”

Het vervolg laat ruim een maand op zich wachten. Uiteindelijk laat Woittiez weten dat er vanuit het ministerie niets gaat gebeuren. Vincent antwoordt dat hij het gevoel heeft dat hij door het ministerie het bos wordt ingestuurd. „Zeker, er is een institutioneel oerwoud”, krijgt hij retour.

In de kluis

Vincent wil niet langer wachten. Het rapport over zijn casus dat hij niet mee mocht nemen van het departement heeft hij begin dit jaar via een journalist van onderzoeksplatform Pointer van KRO-NCRV gekregen. Die vroeg het op met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Pointer heeft nog niet over de zaak gepubliceerd. In het rapport is de naam van Vincent weggelakt, maar verder staat alles er precies zoals Wottiez het heeft geconcludeerd. Zelf is Vincent ook gaan wobben, hij wil weten wat er allemaal is uitgewisseld tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid, jeugdzorg, Veilig Thuis en het ministerie van VWS over zijn zaak. Hij hoopt daarmee uit te vinden waarom het onderzoek van Woittiez in de kluis is beland.

Reinout Woittiez heeft desgevraagd wel een idee wat er gebeurd is. Hij heeft een paar keer, ook recent nog, contact met het ministerie gehad en gevraagd welke acties ondernomen zijn op basis van zijn bevindingen. Die zijn ernstig genoeg, vindt hij. Ook heeft hij zichzelf aangeboden voor ondersteuning en advies. Maar hij bespeurde „weinig enthousiasme” op het departement.

„Ik denk dat mijn conclusies voor J&V lastig te vertalen zijn naar hun uitvoeringspraktijk”, zegt Woittiez. „Het ministerie van VWS is heel voortvarend aan de slag gegaan met de jeugdzorg en daarin gaan praktisch en juridisch soms dingen mis. Op die mededeling, vanuit een ander, meer rechtsstatelijk georiënteerd ministerie, zat het departement van Hugo de Jonge niet te wachten. Mijn rapport is onvoldoende opgepakt omdat de overheid voorrang heeft gegeven aan ingrijpen bij bedreigende gezinssituaties en liever niet wil horen dat zij soms te ver gaat, zonder goede onderbouwing, in het ingrijpen in gezinnen.”

Een politiek motief?

Woittiez denkt dat daarbij ook een politiek motief meegespeeld heeft: „Toen ik mijn rapport schreef was De Jonge nog kroonprins van het CDA en die had meer in de melk te brokkelen dan Grapperhaus. Daardoor werd in dit geval het beleid van VWS zwaarder gewogen dan dat van J&V.”

Het gaat intussen goed met de dochter van Vincent. Ze zien elkaar elke week. Ook tussen hem en de instanties is het rustig, al blijft hij proberen het dossier van tafel te krijgen. Een van de instellingen is in cassatie gegaan bij de Hoge Raad omdat ze van het gerechtshof twee zinnen moest verwijderen. Die zaak loopt nog, over drie weken is de uitspraak.

En Vincent is naar NRC gestapt. De misstanden zijn te groot om in een la op het departement te blijven liggen, vindt hij. Hopelijk helpt de aandacht en worden andere gezinnen beter beschermd. Al is dat niet eens zijn belangrijkste drijfveer. Dat is zijn dochter, zegt hij. „De gekleurde dossiers staan op haar naam, blijven ‘ambtshalve’ 20 jaar bestaan en worden steeds maar weer geraadpleegd en uitgewisseld. Het blijkt schier onmogelijk om dit te corrigeren. Dat is niet alleen een schending van mijn rechten maar vooral van die van haar.”

Reageren? Onderzoek@nrc.nl
Aanvulling (7 juli 2021): De moeder uit de beschreven casus is niet betrokken bij de totstandkoming van dit artikel.