Opinie

Hans Wiegel en de wolf, een modern sprookje

Maxim Februari

Eindelijk spreek ik weer eens mensen in het echt en het valt me op dat ze allemaal beginnen over feromonen. Of over mannen met snorren, wat hetzelfde is. En opmerkelijk veel mensen beginnen over de wolf, wat volgens mij ook hetzelfde is.

Op de Veluwe doen ze wat lacherig over die wolf. Veel dierlijks valt er niet aan te ontdekken, grinniken ze. De wolven van tegenwoordig zijn hierheen gehaald als een wildernisattractie. Ze hebben een geel oormerk en staan allemaal braaf op de loonlijst van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Trap er niet in.

En ik, bang voor naïef te worden versleten, probeer koel te doen over de wolf en over de wildernis die we Nationaal Park noemen. Ik wil best van de Veluwenaren aannemen dat hier niet echt wilde wolven rondlopen, maar ‘exemplaren’, zoals dat heet. Figuranten die we hierheen slepen in het kader van het wildernisbeleid, als verzetje voor de moderne werknemer die zijn leven slijt in een kantoortuin. Gedoogd gevaar voor de schapen.

Maar een dag later beginnen de feromonen toch hun werk bij me te doen. Wat nou exemplaren? Wilde animaliteit trekt door Nederland! In mijn gedachten duikt het liedje Such a Common Bird op van Wendy McNeill, waarin ze zichzelf afschildert als een ongetemde wolf, jager en prooi tegelijk, zachte tong en scherpe tanden. De rest van de dag blijft McNeill door mijn hoofd spoken en als buiten de tornado’s langs razen zing ik het wolvenliedje hardop. ‘I drink from storm puddles.’ Ik drink uit regenplassen na de storm.

Eerder dit jaar koos het literaire festival Woordnacht ‘de terugkeer van de wolf’ als thema. Natuurlijk wilde het daarmee de aanwezigheid van de wolf in ons midden vieren, maar vooral ook de animale kanten van de mens zelf onderzoeken en bestuderen. ‘Propageren’ zelfs. Want hoeveel dierlijks is er nog aan ons te ontdekken in een samenleving die alles wil controleren en reguleren?

Dat was een mooi thema. Zo overstijgt de terugkeer van de wolf de kwestie van de figurant; het thema laat zien dat met het opflakkeren van een wolvenbeleid in Nederland iets verschuift in de menselijke beschaving als geheel. De beschavingsgeschiedenis kun je immers zien als een verhaal over de eeuwige strijd tussen het ongetemde en de menselijke drang tot temmen. De terugkeer van de wolf suggereert dan dat we steeds dichter het einde van de controle naderen.

Als je er zo naar kijkt, wordt de discussie over het wolvenbeleid spannend. Volgende week, op 29 juni om precies te zijn, zal oud-commissaris van de Koningin Hans Wiegel de eerste paal voor een wolvenhek slaan, een hek om Friesland dat wolven buiten de provincie moet houden. Maar wat moet dat hek precies tegenhouden? De probleemwolf, zoals Stichting Wolvenhek Fryslân hem noemt? De ongewenste vreemdeling, zoals een meerderheid in de Provinciale Staten van Fryslân in juni 2020 opperde? Of onze eigen natuur?

Vanzelfsprekend heeft de heer Wiegel gelijk met zijn bezwaren tegen de probleemwolf. „Past de wolf in ons land?” had de oud-commissaris zich in het Fries Journaal afgevraagd. Het antwoord was nee. „It wurdt in kealslach!” En jawel, ik kan me die zorgen indenken, nu ik ’s nachts klaarwakker in bed lig, denkend aan de wolf die vorig jaar in de buurt van mijn huis opdook. Ik durf niet uit bed en de tuin in, bang opeens oog in oog met hem te staan. Of liever gezegd: bang dat de nietsvermoedende voorbijganger me ziet drinken uit regenplassen.

Helaas beperkt de discussie over het wolvenhek zich vooralsnog tot een ambtelijk steekspel over „internationale verplichtingen” en plannen voor de „definitieve vestiging van de wolf” die „juridisch houdbaar” zijn. Pogingen om het gevaar in het huis te halen en het tegelijkertijd te temmen. Alsof al onze ingrepen op de planeet juist niet leiden tot orkanen en verwoestijning; wat we met de ene hand redden, roeien we met de andere hand uit. Het hek om Friesland is een teken van onze hoogmoed en zelfoverschatting. Het is een modern sprookje. Wiegel en de wolf.

In mijn mailbox begint iemand over Virginia Woolf, die in 1915 in haar dagboek schreef: „De toekomst is duister, dat is het beste wat de toekomst kan zijn, denk ik.” Een ander begint over de roman Het parfum van Patrick Süskind, waar de hoofdpersoon zich besprenkelt met feromonen van maagden en door uitzinnige liefhebbers wordt opgegeten.

Ik lig in bed met hoge koorts van het Pfizer-vaccin. Rondom het huis pakt de storm de stoelen op en smijt ze in de bomen. Midden in de nacht breken heidense feesten los waar bevrijde burgers na de versoepeling hun onverklaarbare ritmes trommelen. Ik schuif het raam omhoog en zet mijn poot in de vensterbank. Buiten op straat lonken de plassen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.