Een houten bed voor de centurio

Archeologie Bij het Romeinse fort in Velsen zijn honderden houten voorwerpen gevonden. Ze tonen dat Romeinse officieren in luxe leefden.

Een houten kommetje, opgegraven in een Romeins vlootfort bij Velsen.
Een houten kommetje, opgegraven in een Romeins vlootfort bij Velsen. Foto RCE / BIAX

Tentharingen, een gevest van een zwaard, visfuiken, sluitwerk, blokschaven, onderdelen voor de tuigage van schepen. Welgeteld 1.593 hele en fragmentarische Romeinse objecten van hout zijn eindelijk onderzocht, dertig jaar tot vijftig jaar nadat ze zijn opgegraven. Tezamen geven ze inzicht in het leven aan de uiterste rand van het Romeinse Rijk: in een Romeins vlootfort bij Velsen, in het begin van de eerste eeuw na Christus. Twee opvallende conclusies zijn te trekken, zegt archeologe en houtspecialiste Silke Lange van Biax, die het hout heeft onderzocht en er een rapport over heeft geschreven. „Het ontbrak de militairen niet aan luxe zoals goede wijn, die in houten vaten was aangevoerd, en kunstig gemaakt meubilair. En: in het kamp liepen ook vrouwen en kinderen rond.”

Het fort dat nu bekendstaat als Velsen I is gesticht in 15 na Christus, om de toegang tot het Oer-IJ veilig te stellen en te bewaken. Vijftien tot 24 jaar later werd het fort verlaten. In 39 hebben de Romeinen zeshonderd meter verderop een nieuw fort gebouwd, dat slechts voor een deel is onderzocht en nu een archeologisch rijksmonument is.

Amateuropgravingen

Velsen I is ontdekt in 1972 tijdens de aanleg van de Wijkertunnel. Amateurs en later ook archeologen van de Universiteit van Amsterdam hebben tot 1994 het fort grotendeels opgegraven. Veel hout bleek in de natte ondergrond goed bewaard gebleven. „Ze hebben ruim 2.500 houten objecten opgegraven”, weet Lange. „In geen enkel Romeins fort is zoveel hout gevonden.” Door onder meer gebrek aan geld en belangstelling is al dat hout nooit goed bestudeerd en beschreven. „Hout is vaak onooglijk als het uit de grond komt en omdat ze vaak niet weten wat het is, doen veel archeologen er niks mee”, zegt Lange. „Mijn collega Pauline van Rijn is er in de jaren negentig wel begonnen aan een studie van het hout. Maar dat onderzoek is nooit helemaal afgerond en in 2015 is ze overleden.” In opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft Lange de afgelopen twee jaar het hout uit het fort alsnog onderzocht. „Een deel bleek vergaan of gewoon verdwenen, zoals een boemerang, waarvan alleen nog een foto bestaat.”

Volgens archeologe Carol van Driel-Murray, Romeinen- en leerspecialiste van de Universiteit Leiden, heeft Langes onderzoek grote wetenschappelijke waarde. „Want ze heeft niet alleen het hout gedetermineerd, maar ze laat ook zien dat met het leger een hele Romeinse maatschappij op pad ging.”

Een bijzondere ontdekking was een op het eerste gezicht onopvallende bewerkte houten knop met een kleine steel eraan. „Hij was al gedetermineerd als druivenstok en omschreven als mogelijk een verbindingspen”, vertelt Lange. „Dat leek me onwaarschijnlijk. Bij Tacitus vond ik de oplossing: hij schrijft in zijn Annalen over een centurio met de bijnaam ‘Geef-me-er-nog-een’. Die dankte deze onderofficier aan het feit dat hij regelmatig zijn vitis – een druivenstok die centurio’s niet alleen als onderscheidingsteken droegen, maar ook gebruikten om hun manschappen te disciplineren – op de rug van een soldaat kapotsloeg. Tot nu toe kenden we de vitis alleen van afbeeldingen op grafmonumenten.”

Glazen ramen en luxe meubelen

De militairen verbleven getuige de vele houten haringen in tenten. „Die waren gemaakt van geitenleer”, weet Lange. „Maar fragmenten van raamlijsten laten zien dat er ook barakken met glazen ramen geweest moeten zijn.” Gedraaide poten en sierlijk gevormde andere onderdelen van stoelen, tafels en bedden maken duidelijk dat de officieren over luxe meubelen beschikten. „Precies dezelfde die we kennen van de fresco’s in Herculaneum en Pompeï.” Sommige meubelen waren gemaakt van mediterraan hout en dus aangevoerd; andere, bijvoorbeeld van lokale els, moeten ter plekke door een handwerker zijn gemaakt.

Van Driel-Murray is blij met deze vondst, die bepaalde verhalen over luxe in het Romeinse leger lijkt te bevestigen: „Neem het verhaal dat Caesar in luxe op campagne ging en zelfs een oprolbaar mozaïek meenam werd altijd afgedaan als verzonnen of overdreven. Maar waarom zou het niet waar zijn? Vergelijk het met de Britse officieren die in de Tweede Wereldoorlog tafelzilver meenamen. Dat gaf hen een thuisgevoel. Ik kan me voorstellen dat een Romeinse militair, die voor 25 jaar tekende en zijn hele leven op campagne was, met luxe meubelen ook een soort thuis creëerde.”

Het verklaart ook de aanwezigheid van vrouwen en kinderen in het kamp. „In de jaren negentig heb ik dat op basis van kleine leren schoenen in Velsen al eens geopperd, maar daar wilde men toen niet aan”, zegt Van Driel-Murray. „Spinklossen en kleine houten slippers laten nu zien dat ze er wel waren.” Een houten zool met specifieke bijtsporen vertelt dat er ook honden in het fort waren.

Lange zelf typeert wijnvaten met een Gallische herkomst en een fragment van een panfluit van buxushout als bijzonder. De aanvoer van wijn is niet alleen een teken van luxe, maar ook van relatief veilige waterwegen. „En dit is pas de negende panfluit uit het Romeinse Rijk. Drie zijn in Nederland gevonden; dit is de oudste. ”

Veel van het hout kon worden ondergebracht in zestien categorieën, variërend van wapens en dakbedekking tot tot textielbewerking en spel en ontspanning. Maar lang niet alles kon worden herkend. Lange: „Juist de objecten waarvan de functie niet bekend is moeten worden gepubliceerd – bij Velsen weet ik van 209 fragmenten niet wat het is. Misschien weet iemand anders het wel.”