Opinie

De zaken die mensen overkomen

Marjoleine de Vos

Het huis is verlaten, de bewoner al 88 jaar dood, maar alles staat er nog. De porseleinen serviezen, de wandtapijten, de sierlijke houten kastjes met geheime laatjes; heel zijn onmetelijke rijkdom, door hem geschikt en nu gestold. In het Musée Nissim Camondo loopt schrijver en porseleinkunstenaar Edmund de Waal rond en beschrijft tot wat dit alles gestold is in zijn wonderschone boek Brieven aan Camondo. Hij maakt de dingen van stomme voorwerpen tot sprekende relicten van een tijd en een leven, tot dragers van een verdrietige geschiedenis, de geschiedenis van een man, Moïse de Camondo (1860-1935) die eerst zijn vrouw kwijtraakte omdat ze liever een ander had, en toen zijn zoon Nissim verloor in de Eerste Wereldoorlog. Zijn dochter Béatrice trouwde en ging elders wonen. Hij bleef alleen in dit huis, alleen met de dingen.

Precies zo alleen loopt Edmund de Waal door het huis en gaat eens hier zitten en eens daar kijken. Zijn woorden maken meubels die ik protserig zou vinden tot kleine kunstwerken doordat hij de houtsoorten onderscheidt („eik en walnoot, gefineerd met bloodwood, amarant”) en spreekt van „gedreven en verguld brons”. Het geduld en het vakmanschap van de makers worden zichtbaar in zijn woorden en de liefde van de eigenaar voor dat waarmee hij zich omringde. Hij heeft het over de arrangementen van voorwerpen die Camondo maakte, hij begrijpt het plezier om voorwerpen zó te schikken dat ze met elkaar iets ‘zijn’, al valt niet te zeggen wat – dat doet hij immers zelf ook met zijn installaties van porseleinen potten. „Het plezier om dingen naast elkaar te zetten. En te kijken.”

Je gaat je na een tijdje als vanzelf afvragen wat dingen betekenen voor ons die er zoveel om ons heen hebben. Begrijp ik de dingen wel, zie ik ze wel?

De Waal laat zijn boek voorafgaan door een Vergilius-citaat: „lacrimae rerum”, het wordt in de noten netjes vertaald met „tranen van de dingen”. Maar in vertalingen van De Aeneis, waar deze woorden uit komen, worden ze meestal niet zo vertaald, want ze staan in een hele zin – „sunt lacrimae rerum et mentem mortalia tangunt” – en Aeneas zegt dat als hij kijkt naar afbeeldingen van de Trojaanse oorlog, naar zijn eigen geschiedenis dus.

Piet Schrijvers vertaalt: „Hier vloeien tranen en wordt men ontroerd door menselijk lijden”. En Marietje d’Hane-Scheltema: „Hier vloeien tranen om ons lot, ons aards bestaan beroert hun hart”. De ‘dingen’ (‘rerum’) zijn hier de zaken die de mensen overkomen, geen voorwerpen.

Maar De Waal wil juist de voorwerpen zien als vertegenwoordigers van de dingen die de mensen overkomen. Hij neemt ook een mooi Proust-citaat op in zijn boek waarin de schrijver het heeft over „de kern van de dingen” waarmee hij wel degelijk voorwerpen bedoelt en over „de diepste betekenis van voorwerpen”.

Hun tranen, hun betekenis, hun kern.

Ik kijk naar het dienblad dat altijd op het theekastje ligt, het is ingelegd met wit en groen en ik heb er eens een vaas bijgekocht in diezelfde groene kleur. In het theetafeltje staan hyacintenglazen in allerlei modellen. Mijn eigen vreugdebrengende arrangement, hoe simpel ook. Ik denk aan De Waal die schrijft „Dit interieur was een soort performance waarin ook u een hoofdrol speelde en een glimp van uzelf opving”. Is dat zo? Ja, van vrienden vang ik altijd wel degelijk een glimp van henzelf op in hun huizen, in de schikking van hun meubels, in de kleuren, het licht, de gekozen voorwerpen.

Ik denk aan een gedicht van T. van Deel: „Gedenk de dingen die het overleven,/ Niet zij zijn in de steek gelatenen,/ wij zijn het zelf die ons, steeds weer, verlaten.”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.