Opinie

Kun je tussen die bomen van meningen in de krant de feiten nog zien staan?

De ombudsman

Ja maar luister eens, beginnen columnisten nu zelf ook al te klagen dat er te veel columns in de krant staan? Kort na elkaar las ik drie artikelen – twee columns en een opiniestuk – over wat je ‘columnitis’ zou kunnen noemen, de explosie van columns en meningen in de media. Een proliferatie die vele malen harder is gegaan dan die van kernwapens – en lastiger te bedwingen met topconferenties op IJsland.

Het eerste salvo kwam van schrijver Philip Huff, een lange filippica tegen „witte, redelijk gegoede” columnisten die zich neerbuigend uitlaten over „jongere generaties” die „het huidige systeem” bekritiseren. In hun voice of reason hoorde Huff (1984) vooral verwend tut-tut-gebrom van boomers.

Hij was wel een beetje uitgeschoten met de fles ageism: dit waren columnisten die „de meeste levensjaren achter zich hebben”. Een formule van afnemende opinie-opbrengst afgezet tegen geleefde kalenderjaren werd helaas niet bijgeleverd. Maar Huff had een punt: ook in ‘nuchterheid’ kunnen politiek en ideologie doorklinken.

Vier dagen later brak chef Media en columnist Karel Smouter de staf over de „verliefdheid” van de media op iedereen die „jong, welbespraakt en het liefst lekker contrair is”. Zoals de politieke spookrijder Thierry Baudet, ooit NRC-columnist, en de gevallen mondkapjesmagnaat Sywert van Lienden. Wat doet die opgewonden aandacht met „de psyche van een jong mens”, somberde Smouter.

En toen moest columnist Aylin Bilic nog komen, die ongezouten – en tegelijk ontwapenend – zei waar het op staat: er suizen te veel onbekookte meningen door de media. In haar jeugd was de krant een openbaring omdat die „kennis, inzicht en daarmee redelijkheid” bracht. Nu was het een carnaval van columnisten die „elke dag in een paar honderd woorden hun mening de wereld in” smijten. Vaak vol activistisch jargon over ‘wit privilege’ of ‘intersectioneel feminisme’. Ook zij had een punt: waarom legt de krant die activistisch-academische begrippen, waar óók een mens- en wereldbeeld achter schuilt, niet beter uit? Lezers zouden er dankbaar voor zijn, denk ik, al hoeft het niet meteen in een extra katern van zestien pagina’s.

Tja – allemaal interessante meningen dus. Al raakte ik er wel nog meer van in de war dan normaal tijdens kantooruren. Want regeert in Opinieland nu de afdeling geriatrie (Huff), de geëxalteerde jeugd (Smouter) of postkoloniaal activisme voor alle leeftijden (Bilic)? In elk geval goed om te onderstrepen: het palet aan columnisten is bij NRC de laatste jaren een stuk diverser (en jonger) geworden. Dat werd hoog tijd en het is winst – al is de opvolger van de gerespecteerde J.L. Heldring nog niet gevonden.

Maar alles bij elkaar zijn het er veel, ja. Geen wonder, ons ‘leven in media’ (Mark Deuze) is een dagelijkse hordenloop geworden langs tientallen pratende commentatoren in hun eigen cabine (ik ben er ook één). Ondanks het vrome voornemen van de vorige hoofdredacteur van deze krant om die tuin (zij het vooral het linkse perkje) te snoeien, zijn er daarna alleen maar sierplanten bijgekomen.

Ook veranderd is dit. Terwijl columns ooit vooral een platform waren voor deskundige buitenstaanders, worden ze steeds vaker geschreven door eigen journalisten. Prima, zolang het niet betekent dat wie een gouden pennetje heeft op den duur vast zit in een gouden kooitje. Ook reporting mag best verbaal schitteren (NRC-redacteuren met een column doen dan ook daarnaast ‘regulier’ journalistiek werk).

Is die wildgroei erg? De klacht is zelf een media-cliché geworden. Aan menige stamtafel is de mening dat er te veel meningen zijn de meest gehoorde mening. In 2011 formuleerde Bas Heijne het al trefzeker, over de Wilders-fixatie van de journalistiek: „Er zijn te veel pratende hoofden, te veel opinies, te veel televisiezenders en ja, te veel columnisten. Zoveel Jorissen – en maar één draak.”

Nu zou je kunnen zeggen dat de drakenpopulatie sindsdien flink is toegenomen, maar dan nog is het de vraag of meer Jorissen het beste antwoord is. Columnist Lamyae Aharouay werd na enkele jaren zo moe van de meningenmachine dat ze – uitzonderlijk – uit eigen beweging haar column opgaf om als verslaggever het veld in te gaan – en met succes.

Geregeld doemt zo het schrikbeeld op van de eeuwige columnist als die praatgrage stamgast in een buurtkroeg. Je schuift naast hem aan op een kruk, vraagt langs je neus weg of er nog nieuws is en jawel, daar begint het Bijenkorf-aapje al driftig te trommelen. Al gauw loer je naar de uitgang.

Maar haat en liefde gaan zoals vaker samen. In de leescijfers van NRC scoren (sommige) columnisten huizenhoog. Lezers ontsteken in woede als hún favoriet na jaren wordt gewisseld. De verschuiving van columnist Carolina Trujillo van zaterdag naar donderdag leidde al tot briesende brieven: kan dat zomaar? Kortom, lezers hechten zich aan columnisten – en dat is ook de bedoeling.

De angst dat je door al die bomen van meningen het bos van de feiten niet meer ziet, heeft bovendien wel een kern van waarheid, maar miskent ook het belang van opinie en debat. In de recente bundel Opinitis merkt Trouw-journalist Leonie Breebaart terecht op dat geen enkel nieuw ‘feit’ over Zwarte Piet het oordeel van veel Nederlanders over dit koloniale stereotype heeft doen kantelen. Bij zulke omslagen in morele sensibiliteit gaat het eerder om collectieve eer en schaamte, betoogde filosoof Kwame Anthony Appiah (The Honor Code, 2010).

Nu we het er toch over hebben: waarom zouden columns louter meningen, ontboezemingen of retorische hoogstandjes moeten bevatten? Ze kunnen ook nieuwe feiten aan het licht brengen of aan oude nieuwe glans geven. In de Maarten Luther-notitie van Pieter Omtzigt wordt drie keer verwezen naar de NRC-column van Tom-Jan Meeus. Stond blijkbaar nieuws in, mensen. Maar ook een inzicht, associatie of redenering kan leerzaam zijn, een subtiel verwoorde beleving, een vergeten boek, een onderbenut rapport of – wie weet – een niet-gearchiveerd memo. Kortom: iets wat je nog niet wist of niet eerder zó onder woorden had zien brengen.

Columns blijven dus een vitaal genre. Maar de lat moet wel hoog liggen. In die bundel Opinitis (ik verheug me op deel twee, Opiwellis) geeft Breebaart een mooie definitie van een slechte column. Meestal zijn die niet slecht „omdat je de discussie niet met feiten kon beslechten, maar omdat je te weinig rekening hield met tegenwerpingen van anderen”. Zo is het. Een goede columnist geeft zichzelf geen gratis voorsprong of dispensatie van twijfel.

Breebaart bepleit daarom drie deugden: bescheidenheid, moed en oprechtheid (er is al genoeg cabaret). Dat lijken me goede adviezen. Van columns mag je meer verwachten – en gelukkig bieden ze vaak ook meer – dan gezellige stamtafel-bevestiging, aan de deur gespijkerde dogma’s of de kortstondige kick van een mening in kapitalen.

Dat je er wat van opsteekt, vooral.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.