Kan superminister Samsom uitkomst bieden in Rutte IV?

Deze week: op zoek naar varianten voor de stilgevallen formatie, speculaties over superminister Samsom, Koolmees’ verwachte vertrek, hoe Nederland afglijdt naar de categorie België/Irak. Ofwel: het bestel versus de regeringsvorming.

In een Haags gesprekje viel deze week de naam Diederik Samsom. Mensen die vooruitkijken naar het nieuwe kabinet spreken algauw over de forse klimaat- en energieopgave die eraan komt, en het inzicht rijpt dat daarvoor een minister van Klimaat en Energietransitie met bijzondere bevoegdheden nodig zal zijn.

Samsom is dan geen gekke optie. Hij begon bij Greenpeace als klimaatactivist, heeft ruime Haagse ervaring en is nu kabinetschef van Europees klimaatcommissaris Frans Timmermans.

Er komt bij dat ook in centrumrechts de opvatting groeit dat klimaat en energietransitie een kans zijn, geen bedreiging.

Weliswaar kent de Kamer nog genoeg klimaatsceptici (Wilders, Baudet, Eerdmans) maar nu ook een conservatief als Boris Johnson laatst zijn klimaatdoelstellingen aanscherpte (78 procent CO2-reductie in 2035; Nederland: 50 procent in 2030, 98 procent in 2050), zien ze in VVD en CDA dat offensieve klimaatpolitiek niet meer te keren is.

Dus ik vroeg Samsom even naar het verhaal, waarop hij benadrukte hoezeer hij gesteld is op zijn huidige werk in Brussel.

Tegelijk informeerde ik bij PvdA-prominenten of zij bekend waren met het idee van een ‘superminister’ Samsom in Rutte IV, en inderdaad: dat was zo.

Waarbij vooral opviel dat zij het advies c.q. de hoop uitspraken dat hun voormalige partijleider deze kans aan zich voorbij laat gaan.

En je kon natuurlijk zeggen: hoezo een PvdA-minister? Het staat lang niet vast dat die partij gaat regeren.

Sterker: veel wijst erop dat VVD en CDA het armpje drukken met PvdA en GroenLinks, die alleen samen in een kabinet willen, hebben gewonnen.

Hoewel D66-leider Sigrid Kaag formeel niet wijkt van haar voorkeur voor een kabinet met PvdA en GroenLinks, hoor je in haar partij dat het ‘een politiek feit’ is dat VVD en CDA hun verzet hiertegen volhouden. Tegelijk falen VVD-pogingen om PvdA en GroenLinks uit elkaar te spelen.

Ziedaar de stilstand in de formatie. Het heeft er alles van dat informateur Mariëtte Hamer volgende week haar eindverslag met een open einde naar de Kamer stuurt. En de vraag is: wat dan?

Nu zijn er wel eerder gewaagde oplossingen voor een ‘onmogelijke’ formatie bedacht. De spectaculairste: een formateur uit de grootste partij die ‘inbreekt’ bij weigerende partijen. Het kabinet-Den Uyl kwam zo in 1973 tot stand: prominenten van confessionele huize (ARP, KVP) die een ministerschap onder PvdA-voorman Den Uyl aanvaardden, en zo hun partijen voor een voldongen feit plaatsten.

Vandaar dat Samsom-ideetje. Een mildere variant werd in 2012 geprobeerd, toen de PvdA oud-GroenLinksleider Femke Halsema een ministerschap in Rutte II (VVD-PvdA) aanbood. Evengoed kent een inbraak ook risico’s: wie partijen tot regeringsdeelname dwingt zal nooit volledig vertrouwd worden.

Dus dat hierover wordt gespeculeerd tekent ook de wanhoop. Die heeft bekende oorzaken – de motie van afkeuring tegen Mark Rutte op 1 april, de toestanden in het CDA, de CU-blokkade tegen Rutte, het PvdA-GL-blok.

Zo ontstond de wonderlijke situatie dat partijen in deze formatie soms harder campagne tegen elkaar voeren dan eerder in de campagne zelf.

Duidelijk is dat ook Rutte lastiger zit dan vaak wordt gezien. Een VVD’er legde deze week in detail uit hoe de loyaliteit van het partijkader na 1 april Ruttes bewegingsruimte limiteert.

De houding in de VVD is, zei hij: we gaan niet meemaken dat de partijen die Mark wilden pakken er nu alsnog met de buit vandoor gaan.

Bovendien staan klassieke VVD-thema’s (migratie, veiligheid, belastingen) laag op de Haagse agenda en hebben hoog genoteerde onderwerpen (klimaat, stikstof, woningbouw, arbeidsmarkt) een linksig imago – waar VVD’ers dus weinig mee hebben.

Zo kan Rutte veel minder bewegen dan de voorman van de grootste partij normaal in een formatie doet, waarbij bovendien de relatie met Kaag koel blijft.

Laatst hoorde ik dat in de Raad van State, het adviesorgaan waar veel ervaring met regeringsvorming samenkomt, de parallel met de formatie van 1981 circuleert.

Toen haalde Jan Terlouw, net als Kaag dit jaar, een spectaculaire zege voor D66-begrippen (17 zetels), waarna hij door zijn opstelling afdwong dat de kemphanen Van Agt (CDA) en Den Uyl met elkaar in een kabinet kwamen. Dit viel binnen een jaar en Terlouw leed een daverende nederlaag, hij schreef er een fameus boek over: Naar 17 zetels en terug.

Een vergelijkbaar manco als bij een inbraak: dwing coalitiepartners tot een ongewenste uitkomst en jij krijgt het op je brood.

Het verklaart waarom een coalitie van VVD, CDA, D66 en CU vermoedelijk toch de kansrijkste uitkomst is – met twee alternatieven: een kabinet gevormd na een inbraak bij één linkse partij, dan wel een minderheidskabinet.

Dit vereist dan wel dat het CDA zichzelf terugvindt. Wopke Hoekstra stuurt aan op meeregeren, maar de erfenis van Omtzigts vertrek en de inhoud van zijn memo laten zich vermoedelijk niet snel uitwissen. Zo bleven deze week belangrijke vragen over de suikeroom van de partij en zijn mogelijke invloed op het partijprogramma onbeantwoord – het liet een ongemakkelijke indruk achter.

Bij het begin van een nachtelijk overleg, vorig jaar, zei Wouter Koolmees: mensen, ik ben moe, als ik uit mijn slof schiet weten jullie waarom.

Een charmante oplossing van een probleem dat politici zelden benoemen maar dat ze al maanden parten speelt: te veel mensen die betrokken zijn bij de twee grote thema’s – de formatie en corona – zijn doodmoe. Het is een van de redenen dat Koolmees zelf in kleine kring vertelt dat hij de politiek na deze termijn verlaat.

En het bestel, als facilitator van de versplintering, helpt hierbij niet. Iemand wees er deze week op dat Nederland door het trage formatietempo nu is afgezakt naar de categorie België/Irak.

Evengoed analyseren politicologen al jaren dat het vertrouwen in de democratie groeit naarmate er meer partijen in het parlement zijn vertegenwoordigd. Hoogleraar politicologie Joop van Holsteyn (Leiden) noemde de versplintering dit jaar in Trouw daarom „een weldaad voor de democratie”.

Maar deze formatie onderstreept dat diezelfde versplintering de regeringsvorming alleen maar ingewikkelder maakt. De Kamer heeft straks negentien fracties, en elke coalitiepartij die een compromisje sluit wordt in het parlement ogenblikkelijk besprongen door de electorale concurrentie. Het gevolg zien we: het is voor partijen steeds lastiger grote toezeggingen in een formatie te doen.

Zo ontstaat de paradoxale situatie dat de versplintering die politicologen toejuichen omdat die het vertrouwen in de democratie vergroot, diezelfde democratie ondermijnt: coalities komen moeizamer tot stand en kunnen, eenmaal gevormd, minder presteren omdat ze zo fragiel zijn – zodat de afkeer van regerende (midden)partijen verder groeit.

Zo bezien heeft deze hele formatie ook iets van een verkeerde film. Terwijl de Kamer en de onderhandelaars maanden spraken over een nieuwe, open bestuurscultuur, voerde diezelfde Kamer nul debatten over het bestel dat die besloten bestuurscultuur mede veroorzaakte.

Anders gezegd: afspraken maken over een nieuwe bestuurscultuur, en tegelijk het huidige bestel in stand laten, is hetzelfde als Samsom minister van Klimaat maken en tegelijk tien nieuwe kolencentrales bouwen. En daarna klagen dat België een waardeloos klimaatbeleid heeft.