Opinie

Met de volkspartijen verdwijnt ook hun volk

Paul Scheffer

De godsdienstsocioloog Jan Thurlings beschreef een halve eeuw geleden in De wankele zuil de ontzuiling van het katholieke volksdeel. Hij zag iets opmerkelijks: de twijfel aan geloofszekerheden sloeg eerder toe bij de voorhoede dan in de achterban. Een aanwijzing was dat de afname van de priesterroepingen veel sneller ging dan de terugloop van de zondagse kerkgang.

Zijn betoog over het uiteenvallen van de katholieke bovenlaag schoot door mijn hoofd, al lezend over de commotie in het CDA. Pieter Omtzigt stelt vast dat de elite van zijn partij geen maatschappijvisie meer heeft. De chaos bij lijsttrekkersverkiezingen, de invloed van geldschieters, de treurige omgangsvormen in de fractie – het valt allemaal in het niet bij de inhoudelijke zwakte die hij schetst in zijn memo.

We moeten misschien teruggaan naar de vroege jaren tachtig, naar de beginjaren van het CDA, om iets te begrijpen van deze crisis. Onder leiding van Rabobank-topman Herman Wijffels werd gezocht naar nieuwe ideeën. Te lang was „de intellectuele leiding van het politieke debat in linkse handen geweest”, aldus Wijffels.

De afrekening werd ingezet en de toon was behoorlijk militant. Het ging om meer dan financiële ombuigingen: „Een onverantwoord handelende en een in heel letterlijke zin verwende samenleving moet tot de orde worden geroepen, omdat haar gedrag roofbouwachtige trekken vertoont”, zo viel te lezen in Werkloosheid en de crisis in onze samenleving (1984).

De diagnose was duidelijk: de verzorgingsstaat had mensen afhankelijk gemaakt en de betekenis van het gezin uitgehold. De overgang naar een verzorgingsmaatschappij werd bepleit. Gevraagd was een „confrontatiepolitiek” waardoor „mensen zicht kunnen krijgen op hun verantwoordelijkheid en hun verplichtingen jegens degenen met wie zij verkeren”.

Later kwam het begrip participatiesamenleving op, het idee was hetzelfde: een terugtredende overheid zet de samenleving tot meer zelfredzaamheid aan. Deze cultuurkritiek waarin individualisme en consumentisme het moesten ontgelden gaf richting aan de christen-democratie. En het rechtvaardigde de bezuinigingen van de kabinetten-Lubbers.

Toch schoot de diagnose tekort: de individualisering gaat veel verder terug en kan niet op het conto van de naoorlogse verzorgingsstaat worden geschreven. Neem een encycliek als Quadragesimo Anno uit 1931. Toen al werd het „verderfelijke individualisme” aangeklaagd. Dat ondermijnde „het harmonisch ontwikkelde sociale leven”. Het mocht niet baten: de wissels van de geschiedenis laten zich niet gemakkelijk verleggen.

De confrontatiepolitiek van Wijffels wilde een eigentijdse cultuurkritiek zijn. De christen-democraten moesten zich afschermen tegen de markt van de liberalen en de staat van sociaal-democraten. Maar de overgang van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij leverde vooral minder staat op en niet meer maatschappij. En dus uiteindelijk meer markt: de liberalen wogen zwaarder.

De huidige desoriëntatie van het CDA heeft een lange voorgeschiedenis. Het mag dan gelukt zijn om langere tijd in het centrum van de macht te verkeren, van een eigen profiel is na al die jaren weinig meer over. Omtzigt, de kanarie in de Haagse kolenmijn, legt zich daar niet bij neer. Hij ziet in zijn memo een belangrijke rol voor partijen in „het vormgeven van een maatschappijordening”.

Ooit interviewde ik een reeks kopstukken uit de PvdA over hun kijk op het CDA. Een van hen, Joop van den Berg, zei: „Men heeft de neiging het CDA af te doen als conservatieve nostalgie of men kijkt er helemaal niet naar. We zijn eigenlijk het soort schakers dat alleen weet wat ze zelf van plan zijn en dan iedere keer verrast zijn door de tegenzetten.” (Haagse Post, 5 oktober 1985).

Ik moest denken aan die gesprekken want de teneur was hoezeer de macht van het CDA werd onderschat. En nu, oog in oog met de huidige neergang, bestaat misschien wel de neiging om de gevolgen van de onmacht van datzelfde CDA te onderschatten. De crisis van die partij toont het verval van de volkspartijen. Het driestromenland is in een kwart eeuw verpieterd tot een driestroompjesland.

Met de volkspartijen verdwijnt ook hun volk. Ze gaven vorm aan de verdeeldheid. Die hoort bij een democratie, maar de huidige versplintering in vele subculturen en deelbelangen – een parlement met bijna twintig fracties – is niet duurzaam. Vandaar dat er zoveel wordt gesproken over een ‘nieuw sociaal contract’. Het besef onderdeel te zijn van een groter geheel is nog volop aanwezig. Dat burgerschap moet worden aangesproken – anders loopt de belofte van een gemeenschap uit op meer radicale antwoorden.

Paul Scheffer schreef onder meer Het land van aankomst en De vorm van vrijheid.