Opinie

Een middagvan operaties

Frits Abrahams

Op de middag dat ik bij de oogchirurg op de operatietafel lag, moest Lotje onder narcose bij de gebitsarts. Als dat geen dramatische openingszin is, weet ik het niet meer. Tegelijk moet ik waarschuwen dat het nog veel dramatischer wordt.

Niet zozeer wat mijzelf betreft bij die oogchirurg. Hij had een gemoedelijke assistente die me welkom heette alsof ik haar verloren zoon was. Ze nam me onder haar arm mee naar binnen, deed plastic kapjes om mijn schoenen, noemde de dokter alvast „een wonderdokter”, legde me plat op een brancard, zocht een of ander „gelletje” – ze hield erg van verkleinwoorden – en leidde me ten slotte naar het schavot, waar het medische team me met neutrale gezichten opwachtte.

Daar deed de wonderdokter de rest, nadat een assistente me gevraagd had of ze er een muziekje bij mocht opzetten. Ik vond het best, vooral toen ik hoorde dat het soul was.

Vraag me niet wat ik ervan gemerkt heb. Ik was plaatselijk verdoofd, net als Lotje enkele uren later en vijftien kilometer verderop. Het voordeel van een oogoperatie is dat je er niets van ziet en nauwelijks iets van voelt, hooguit een lichte druk af en toe op het oog. Er wordt naar hartenlust in je oog geroerd en gepoerd om een minuscuul stalen buisje aan te brengen, maar als later zou blijken dat alleen je wenkbrauw compleet was gestript, zou je het ook geloven.

Na ruim een half uur kon de dokter me tevreden terugsturen naar zijn gemoedelijke assistente, die al een volgend slachtoffer met een „gelletje” had ingesmeerd.

Nu moet ik de actie verplaatsen naar de dierenkliniek van Lotje, maar ik merk dat me dat moeite kost.

Lotje, een Britse korthaar, kwam anderhalf jaar eerder als kitten bij ons. Ze was al vanaf de eerste dag ziek, want haar fokker had even niet opgelet, of wél opgelet, maar ons niet ingelicht. Ze had een chronisch ontstoken gebit en zwakke darmen. De dierenartsen die haar later zouden behandelen, vonden haar situatie ernstig, maar niet hopeloos. Met veel toewijding gingen ze aan de slag.

Dit wordt niets, laat haar inslapen, adviseerden sommige mensen. Maar wij waren al na enkele weken aan haar gehecht als een kloek aan haar kuikens. Lotje was een aanbiddelijk wezentje en zeer kwetsbaar in haar afhankelijkheid. Ze wisselde goede dagen met slechte af en we wilden haar daar zoveel mogelijk bij helpen. Intussen stapelden de medische behandelingen zich op, want voor een juiste diagnose hadden de artsen duidelijke gegevens nodig. Zijn ‘we’ – artsen én wij – daar te lang mee doorgegaan? Ik vrees van wel, want de uitkomst spreekt niet in ons voordeel.

Ik was die middag nog maar net terug van de oogchirurg toen de gebitsarts geschrokken mijn vrouw belde. Hoewel hij maar een lichte narcose had hoeven toe te dienen, kwam Lotje tot zijn verbijstering uiterst moeizaam bij bewustzijn. Niettemin gaf hij haar nog goede kansen.

Het bleek te optimistisch. In de loop van de avond stierf ze. Waaraan precies? Niemand die het weet. Het was haar allemaal te veel geworden, laten we het daar maar op houden.

De volgende dag hebben we in de kliniek afscheid van haar genomen. Ze lag er gaaf bij, op haar zij, in haar geliefde slaaphouding. Haar vacht voelde nog opmerkelijk zacht, maar daaronder was ze hard en vrieskoud.