De loodzware verwachtingen van groene daken

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: van groene daken wordt heel veel goeds verwacht.

Groen dak op een bedrijfspand in Amsterdam. Waterberging is een belangrijke functie van zulke daken.
Groen dak op een bedrijfspand in Amsterdam. Waterberging is een belangrijke functie van zulke daken. Foto’s Martijn Beekman/ANP

Wat zou de gemeente Amsterdam onder biodiversiteit verstaan? In de recente Groenvisie 2020-2050 komt het woord wel vijftig keer voor, maar wat het precies is blijft onduidelijk. Alles wat leeft en groeit? Het is iets préttigs, want het staat in verband met welzijn, leefbaarheid, recreatie, gezondheid en nog zo wat. De biodiversiteit wordt bepaald door het aantal planten en dieren, zegt de visie, en kennelijk kan dat aantal niet groot genoeg zijn. Maar of alle soorten even zwaar meetellen? Je krijgt het gevoel dat bijen en vlinders hoger staan aangeschreven dan pissebedden, strontvliegen en mestkevers. Of wespen en muggen.

Verhoging van de biodiversiteit was één van de argumenten waarmee de Amsterdammer eind 2019 werd aangespoord om eens een daktuin op zijn dak te zetten. Een jaar lang kon hij daar subsidie voor krijgen op voorwaarde dat zijn tuintje minstens 30 m2 groot zou zijn, zeker vijf jaar zou bestaan en per vierkante meter minstens 30 liter regenwater kon opslaan. Extra subsidie viel te verwachten als het tuintje werd volgezet met niet-sedumplanten, zoals kruiden, speciale zaaimengsels en cultuursoorten met nectarwaarde, want niet-sedumplanten staan in een dikkere substraatlaag dan wel-sedumplanten. Die kunnen in hun lullige laagje nauwelijks water bergen.

Wat de gemeente primair beoogde met de stimuleringsregeling maakte het besluit van 2019 niet helder. Biodiversiteitsverbetering dus, en ook: opslag van regenwater om de toenemende zomerse hoosbuien van de klimaatverandering op te vangen. Maar het koelen van de stad en van zolderverdiepingen werden ook genoemd. En verder: „verlaging van de geluidsdruk”, al zal dat wel zijn toegeschreven aan bruidsluiers, wingerds en klimopplanten die als „verticaal groen” in het besluit voorkwamen.

De vraag is of er veel groene daken zijn aangelegd. Op Google Earth versie september 2020 zijn er in de Amsterdamse binnenstad niet veel te vinden en tot op heden heeft daar de extra waterberging dus niet veel zoden aan de dijk gezet. Dat de stad er een piezeltje minder warm door werd lijkt ook niet waarschijnlijk, al hangt dat vooral af van de definitie van de ‘stadstemperatuur’. Waar wordt die gemeten? Zoals gangbaar: op borsthoogte op straat? Of boven de daktuintjes zelf? Daar zal het ’s zomers wel wat minder warm zijn dan vroeger, want bitumen (asfaltpapier) en ballastgrind kunnen in de felle zon akelig heet worden. Modelleringsstudies (simulaties met uiteenlopende resultaten) verwachten alleen een meetbaar koelend effect van ‘green roofs’ als ze op zeer grote schaal worden aangelegd. Andere studies noemen dat dan weer quite unrealistic. Misschien dat het verticaal groen wat effect heeft.

Een tonnetje erbij

Wie de aanleg van een groendak van nabij meemaakte, ontdekte een zwakte in het concept die tot dusver geen aandacht kreeg. In wat misschien wel een standaard-voorbeeld is werden eind februari vorig jaar vier ‘bigbags’ (van elk 1 m3) met aarde getakeld op een plat dak van 5 bij 12 meter. Inclusief de te verwachten wateropname en nog wat bijkomende voorzieningen betekende het een extra dakbelasting van ruim 6 ton. Sneeuw kan daar nog een tonnetje bij doen. Om er zeker van te zijn dat het oude dak (bouwjaar 1891) de massa dragen kon waren de slechte dakbalken op tijd vervangen. De ‘aarde’, een mengsel van leisteen, lava, bims, baksteensplit, perliet en compost, werd 10 cm dik verspreid en kon volgens de leverancier zo’n 39 liter water per m2 opslaan. Daar gaat het om. Volgens het KNMI verdampt in zomerse perioden uit standaardgewas gemiddeld zo’n 4 mm water per m2 per dag. Op 12 meter hoogte is dat vast wel 5 mm. Het betekent dat bims en perliet in droge perioden in een dag of acht al hun water kwijt zijn. Er moet dus voortdurend worden gesproeid om de kruiden en cultuursoorten overeind te houden. (Het versmade sedum verdraagt uitdroging juist goed.) De groendaken verhogen het zomerse waterverbruik zonder dat iemand dat ziet. En trouwens ook het winterse verbruik als de sproei-installatie bevriest, zoals in het voorbeeld prompt gebeurde.

Genoeg gemopperd, een mens moet de zon in het water kunnen zien schijnen. Je gunt iedereen zijn bimstuintje met nectardragende cultuurgewassen vol vrolijke vlinders. En de groendakstimulering is inmiddels vervallen. Er is nu een blauwgroendak-regeling waarin het accent verschoven is naar waterberging. De eisen zijn zwaarder: de daktuin moet gemiddeld minstens 60 liter water per m2 kunnen opslaan en moet minstens 200 m2 aaneengesloten groot zijn. De kleine man heeft hier het nakijken, het blauwgroen is voor corporaties en bedrijven. Wie op internet bekijkt wat er aan peperdure, geraffineerde uitvoeringen is bedacht, met elektronische dakstuwen en van alles, verliest sowieso elk plezier in extra waterberging.

Terwijl het zo eenvoudig kan: installeer op het dak aaneengesloten formaties van vierkante plastic bakken met een opstaande rand van 6 cm en je voldoet aan de 60-litereis. Verdubbel de randhoogte en je slaat 120 liter op. Verdamping uit een vrij wateroppervlak gaat 25 procent sneller dan uit standaardgewas, dus de bakjes staan snel genoeg leeg om weer nieuwe hoosbuien op te vangen. Desnoods voorzie je de teiltjes van drainagegaatjes. Kost niks, weegt niks. Die biodiversiteit komt dan later wel.