Recensie

Recensie Boeken

Via een blauwe schijf contact maken met de hele wereld

E. M. Forster (1879-1970) is beroemd om zijn verfilmde romans A Room with a View, Howards End, A Passage to India en Maurice. Bekend is ook zijn boek Aspects of the Novel, waarin hij het klassiek geworden begrippenpaar ‘round/flat character’ muntte. Minder bekend is het verhaal ‘The Machine Stops’ uit 1909, dat nu weer in vertaling is uitgebracht.

De Machine staat stil gaat over een door technologie beheerste maatschappij. Forster was niet de eerste die zich liet inspireren door de opzienbarende vorderingen van de wetenschap en techniek. Mary Shelley schreef Frankenstein al in 1818, De reis om de maan van Jules Verne verscheen in 1870, in 1886 publiceerde Villiers de l’Isle-Adam zijn filosofische sciencefictionroman l’Ève future. Van hen had in elk geval Verne voorspellende gaven, en die kunnen ook Forster niet ontzegd worden.

In zijn dystopie zijn de steden ondergronds gebouwd; op het vervuilde aardoppervlak is geen leven meer mogelijk. De mensen leiden een solitair bestaan in vensterloze kamers die ze zelden verlaten. Ze hebben knoppen en schakelaars waarmee ze ‘voedsel, muziek en kleding bestellen’ of een badkuip uit de vloer omhoog laten komen. Dankzij technologie staan ze in contact met duizenden mensen; ze maken gebruik van een oplichtende blauwe schijf, waarin ze degene zien verschijnen met wie ze praten, al woont die aan de andere kant van de aarde. Die blauwe schijf is de Machine. Je ziet en spreekt elkaar door de Machine. En in het algemeen is de Machine het systeem dat alles reguleert. Wie zich wil voortplanten, of sterven, dient een aanvraag in bij de Machine.

Ooit hebben mensen de Machine gemaakt om hun comfort te vergroten, maar ze is zo ingewikkeld geworden dat niemand haar nog begrijpt. Nu zijn de rollen omgedraaid: de mensen dienen de Machine, tot ieders tevredenheid. Eén man, Kuno, verzet zich. Via de blauwe schijf vraagt hij zijn moeder naar hem toe te komen; er is iets wat hij haar persoonlijk wil vertellen, buiten de Machine om. Zijn moeder is geschokt, ten eerste omdat hij geen vertrouwen in de Machine stelt, ten tweede omdat rechtstreekse ontmoetingen eigenlijk iets van het verleden zijn, net als fysieke aanrakingen en fysieke inspanningen. Er heerst een collectieve afkeer van directe ervaringen – iets met eigen ogen zien – en van ‘ideeën uit de eerste hand’.

Kuno vertelt zijn moeder dat hij ontdekt heeft dat er een bestaan buiten de Machine mogelijk is. Maar voor hen beiden is het op dat moment te laat: nadat de Machine reeds geruime tijd onheilspellende storingen vertoonde, komt het hele systeem met een klap tot stilstand.

Hoewel de plot weinig om het lijf heeft en moeder en zoon bordkartonnen personages zijn, is het verhaal toch een aanrader dankzij Forsters profetische blik. Wat hij beschrijft lijkt griezelig veel op onze klimaatcrisis, globalisering, artificiële intelligentie, en vooral op de ‘schijf’ waarvan de blauwe weerschijn in onze eigen tijd op alle gezichten valt – dat alomtegenwoordige, feilbare internet, dat speciaal lijkt te zijn ontwikkeld om een uitspraak van de Britse wetenschapper Havelock Ellis kracht bij te zetten: ‘Wat we vooruitgang noemen is het vervangen van het ene ongemak door het andere.’