Opinie

De vergeten tijdgenoot van Shakespeare

Michel Krielaars

In zijn zeer korte verhalen (zkv) heeft A.L. Snijders het vaak over Jules Renard, een schrijver uit de Parijse bohème die vooral bekend is gebleven door zijn dagboeken uit de jaren 1887-1910. Ik begon erin te lezen en ontdekte een sterke gelijkenis tussen beiden. Zo schrijft de knoestige misantroop Renard in 1895 dat hij een compliment kreeg van collega-schrijver Léon Daudet, die zijn boeken ‘meesterwerken op miniatuurformaat’, zeg maar zkv’s, noemde.

Op zijn beurt heeft Renard het over zijn tijdgenoot Albert Samain, een door hem bewonderde dichter die Slauerhoff nog zou inspireren. En via die Samain belandde ik weer bij Jean Pierre Rawie, die in zijn nieuwe boek Een luchtbel in een vluchtige rivier diens gedicht ‘La tour’ vertaalde.

Een luchtbel is een origineel boek, waarin Rawie werk van zevenentwintig klassieke dichters vertaalt en van biografisch en inzichtelijk commentaar voorziet. Hij begint met een sonnet van de 13de-eeuwse Italiaan Giacomo da Lentini en voert je aan de hand van onder anderen Frederik II, Charles d’Orléans, Francisco de Quevedo, Fjodor Tjoettsjev, Mihai Eminescu en William Butler Yeats mee door 1000 jaar poëziegeschiedenis.

Op een vermakelijke wijze geeft Een luchtbel je een inkijkje in de kunst van het vertalen, waarin de klassieke dichter en polyglot Rawie een meester is. Zo laat hij zien dat om een gedicht adequaat te kunnen vertalen je niet alleen de oorspronkelijke taal en het Nederlands perfect moet beheersen, maar ook kennis nodig hebt van de wereld waarin de maker ervan leefde. Alleen zo kan Shakespeare als Shakespeare blijven klinken en niet als zijn (briljante) vertaler Peter Verstegen.

Er komen in Een luchtbel veel wetenswaardigheden voorbij. Zo las ik in een uit het Italiaans vertaald gedicht van keizer Frederik II de voor menig politicus, premier Rutte voorop, leerzame dichtregels: ‘Wie rijk is en een hoge post bekleedt/ kan in een oogwenk worden weggevaagd,/ terwijl hij zelf nog op zijn macht vertrouwt.’ Rawie waardeert het dat een gekroond hoofd gedichten schrijft. Maar tegelijkertijd noemt hij het door hem vertaalde sonnet van een ‘ten hemel schreiende huichelachtigheid’, gezien Frederiks tirannieke bewind. Je kunt het betrekken op menig politicus van deze tijd.

Dankzij Rawie weet ik nu ook van het bestaan van de dichter Giovan Battista Marino, een vergeten tijdgenoot van Shakespeare en Cervantes. Marino, wiens leven uit gevangenschap, ontsnappingen, duels en schandalen bestond, was de beroemdste schrijver van zijn tijd. Zijn oeuvre beslaat duizenden bladzijden. John Milton, Constantijn Huygens en Lope de Vega behoorden tot zijn bewonderaars.

En dan is er nog Rawie’s pleidooi voor light verse, een genre waar door poëziekenners vaak met dédain naar gekeken wordt. In ‘beschaafde tijden’ bestond dat onderscheid tussen licht en zwaar niet, schrijft hij. Ter illustratie noemt hij T. S. Eliots hilarische kattengedichten, die de basis vormden voor de musical Cats. Ook wijst hij erop dat in tijden van vormloosheid in de poëzie de ‘lichte’ dichters – en hun vertalers – de verstechniek voor volgende generaties hebben gered.

Tussen de regels door leest Een luchtbel als een verdediging van Rawie’s eigen, vaak met een vleugje ironie besprenkelde poëzie. Het maakt zijn boek des te boeiender. Als hij dan ook nog begint over de ijdelheid van veel kunstenaars (en vertalers), herinner ik me dat Renard zich daar eveneens over beklaagt. Wat dat betreft is er in al die jaren niets veranderd.