Recensie

Recensie Boeken

Edward Said: overal en altijd een buitenstaander

Edward Said Het werk van de Amerikaans-Palestijnse cultuurcriticus blijft onverminderd invloedrijk. De ideeënbiografie van Timothy Brennan getuigt van zijn briljante vrije geest.

Edward Said in 2001.
Edward Said in 2001. Foto Leonardo Cendamo/Getty Images

In een nieuwbouwwijk aan de rand van Rotterdam worden elf nieuwe straatnamen vernoemd naar ‘lokale en internationale wegbereiders in de wetenschap’. Naast onder meer het George Carverpad en de Hannah Arendtstraat is de stad straks ook een Edward Saidplein rijker. In een korte toelichting in het gemeenteblad staat dat de Palestijns-Amerikaanse cultuurcriticus Edward Wadie Said (1935-2003) gezien wordt als de ‘grondlegger van de postkoloniale studies’ en ‘betrokken [was] bij het lot van de Palestijnen’, met overigens de merkwaardige disclaimer dat hij ‘in opspraak [raakte] doordat hij in 2000 betrokken was bij het gooien van stenen naar de Israëlisch-Libanese grens’. Daar wordt vervolgens de nuance aan toegevoegd dat hij ‘overtuigd [was] van het recht van de Joden om een eigen staat te stichten.’

Je kunt niet zeggen dat hij een saaie wetenschapper was. De ‘humanist uit het Nabije Oosten’ voor zijn bewonderaars, de ‘professor van de terreur’ voor zijn tegenstanders: de onberispelijk geklede en charismatische Said was groot genoeg om geliefd en gevreesd te zijn. Dat blijkt ook uit de onlangs verschenen biografie Places of Mind. A Life of Edward Said van Timothy Brennan, een voormalige student en vriend van Said.

Brennan wilde een omvangrijke ideeënbiografie schrijven, met een geografische invalshoek: Said was een reizende intellectueel, een man die op de ene dag op Harvard bevlogen over Flaubert kon doceren, en de volgende dag in Beiroet met Arabische schrijvers en dichters over Palestijnse bevrijding kon filosoferen. Brennan sprak uitgebreid met Saids intimi en had toegang tot ongepubliceerd werk. Het resultaat is een levendig boek, waarin Brennan een intrigerende inkijk geeft in het leven van een van de meest invloedrijke denkers uit de twintigste eeuw. Geboren in West-Jeruzalem, toen Palestina een Brits mandaatgebied was, kind uit een Arabisch-christelijk gezin in een overwegend islamitische omgeving, opgeleid aan het Britse Victoria College in het Egyptische Caïro en later aan Amerikaanse universiteiten, waar hij furore zou maken als ‘publieke intellectueel’; Saids leven is vanaf het prille begin een onbestemde reis. Een Palestijnse balling na het verlies van zijn geboortegrond bij de stichting van de staat Israël in 1948, maar ook een kosmopoliet pur sang, in navolging van (en geïnspireerd door) Joodse denkers als Adorno en Auerbach. In de VS zou hij zich onderdompelen in de westerse literatuur en klassieke muziek.

New York

Kortom, Said was niet in een hokje te vangen. De naam alleen al, waarover hij later zou zeggen dat hij liever een ‘gewone’ Arabische voornaam had gehad, kon al voor verwarring zorgen. Geen toeval dus dat hij zich sterk identificeerde met Joseph Conrad (1857-1924), de Pools-Engelse schrijver over wie hij in 1966 zijn dissertatie Joseph Conrad and the Fiction of Autobiography schreef. De gelijkenissen waren dan ook treffend; beiden emigreerden uit hun geboorteland naar het hart van een imperialistisch rijk (Conrad naar Londen, Said naar New York), beiden schreven in een ‘geleende’ taal, beiden waren drietalig (met een voorliefde voor het Frans), en beiden hadden een passie voor de muziek van Wagner.

Tegelijkertijd zou Said bij collega’s benadrukken dat hij juist weinig met Conrad gemeen had – was Conrad immers niet een misantroop en een onversneden racist, met minachting voor zwarte mensen zoals beschreven in Heart of Darkness?

Deze ogenschijnlijk tegenstrijdige houding was volgens Brennan typerend voor Said, die zich aangetrokken voelde tot schrijvers die hij niet mocht (het ging hem uiteindelijk om de schoonheid van hun werk) en, net als Conrad, zijn identiteit niet wilde prijsgeven aan de buitenwereld. Dit was geen schizofrenie maar een bewuste keuze, aldus Brennan, verwijzend naar een dichtregel van Said begin jaren zestig: ‘To be, to remain what I will/ A roguish elegist, the Arabic Till.’ Een Arabische Tijl Uilenspiegel dus, naar de Germaanse sprookjesfiguur uit de Middeleeuwen die verschillende rollen aannam en zo zijn omgeving voor de gek hield. Said wilde ongrijpbaar blijven, zichzelf continu heruitvinden. De eeuwige buitenstaander, overal en nergens thuis, een positie die hij zou blijven cultiveren.

Zesdaagse Oorlog

Maar op één onderwerp zou hij consistent en onwrikbaar blijven: de Palestijnse zaak, die als een rode lijn door de biografie blijft terugkomen. Waar hij in de eerste helft van zijn leven zijn Palestijnse identiteit verborgen hield (om het niet ‘ingewikkeld’ te maken hield hij zijn afkomst lange tijd cryptisch bij ‘Arabisch’ of zelfs ‘Midden-Oosters’), veranderde dat na de voor Arabieren vernederende Zesdaagse Oorlog in 1967. Niet alleen vanwege het begin van de Israëlische bezetting van de resterende Palestijnse gebieden, maar ook door de kritiekloze adoratie van Israël in de VS, die gepaard ging met hardnekkige en kwalijke vooroordelen over Arabieren. Met zijn eerste politieke essay The Arab Portrayed een jaar later, waarin hij de negatieve beeldvorming over Arabieren in het Westen uiteenzette, trad Said voor het eerst op als de geëngageerde publieke intellectueel zoals hij later bekend zou komen te staan.

Minder bekend – en Brennan staat er uitvoerig bij stil – is dat het Arabische debacle van 1967 Said weer terugbracht naar zijn roots. Hij kwam in contact met kritische denkers uit het Midden-Oosten en bracht lange periodes door in Beiroet. Daar verdiepte hij zich in de Arabische filologie en rijke literaire traditie. Ook werd hij gefascineerd door onder meer Ibn Khaldun (1332-1406), de Tunesische socioloog avant la lettre in wie Said onmiskenbare parallellen zag met zijn grote voorbeeld Vico (1668-1744), de Italiaanse autodidact.

Hoewel deze ‘Arabische’ periode hem cultureel en intellectueel enorm verrijkte raakte hij gefrustreerd door het stagnerende intellectuele leven in de Arabische wereld, waar het merendeel van de intelligentsia slechts westerse ideeën reproduceerde óf zwolg in misplaatste nationalistische superioriteitsgevoelens. Ja, ook in het Midden-Oosten was Said een buitenstaander.

Oriëntalisme

De intellectuele voorhoede in de Arabische wereld kwam niet verder dan zich spiegelen aan de westerse ideologieën, of kon daar anderszins alleen reactionair tegenover staan, was Saids observatie. Dat moet hem hebben versterkt in zijn overtuiging dat het Arabische zelfbeeld samenhing met de Europese kolonisatie. Maar Said was, vanuit zijn expertise (in zijn werkzame leven heeft hij niet één college over het Midden-Oosten gegeven), vooral geïnteresseerd in hoe het imperialisme het westerse zelfbeeld heeft gevormd. In zijn eerdere studie viel hem al op hoe Conrad het imperialisme bekritiseerde en tegelijkertijd als noodzakelijk kwaad beschouwde. Said wilde weten waar deze merkwaardige en tegenstrijdige manier van denken in de westerse literaire geschiedenis vandaan kwam.

Het leidde in 1978 tot het geruchtmakende boek Orientalism, waar Edward Said aanvankelijk geen uitgever voor kon vinden – en dat na publicatie een onwaarschijnlijke internationale bestseller werd. In zijn boek zette hij de oriëntalistische wetenschapsbeoefening op het hakblok. Vooral de negentiende-eeuwse westerse denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers moesten het ontgelden, omdat hun werk volgens hem slechts als raamwerk diende voor de koloniale overheersing van het Oosten. Door in de beeldvorming de Arabier, de Indiër, de moslim als inherent ‘anders’ voor te stellen, met eigenschappen als barbaars, irrationeel en achterlijk, konden westerse mogendheden hun kolonialisme rechtvaardigen. Wat Said betreft was ‘elke Europeaan, in wat hij […] kon zeggen over het Nabije-Oosten, consequent een racist, een imperialist en bijna volledig etnocentristisch’.

De respons op Orientalism was enorm, met een vurige polemiek tot gevolg. Brennan bespreekt weliswaar de kritiek (overigens ook uit Arabische hoek), maar voelt kennelijk de noodzaak om Said steeds te verdedigen. Volgens Brennan zagen namelijk weinig mensen de ambivalente boodschap die hij met zijn boek wilde uitdragen; dat het hem niet (alleen) ging om de vooringenomenheid van de oriëntalisten maar vooral om hun onverschilligheid tegenover de mensen die zij bestudeerden. En wat hij ze het meest kwalijk nam: dat zij ‘collaboreerden’ met de overheersers. Het imperialisme ging hand in hand met het heilige geloof in de mission civilisatrice – een discrepantie die hij terugzag in de westerse literatuur. Saids doorwrochte werk ademde Foucaults gedachtegoed: wetenschap produceert niet alleen kennis maar ook macht, en beeldvorming is het voorportaal van overheersing.

De Palestijnse kwestie

Wat de bedoelingen van Said ook waren, de uitwerking van Orientalism was groter dan hij kon beheersen. Gevestigde wetenschappers vielen hem onophoudelijk aan, maar er ontstond ook een nieuwe generatie studenten en academici die de zogeheten postkoloniale studies begonnen vorm te geven. Hoewel Said die generatie een warm hart toedroeg, zag hij het opkomende identiteitsdenken op de universiteiten met lede ogen aan. Als uitgesproken humanist had hij een welhaast natuurlijke afkeer van groepsdenken. Said groeide op met de rivaliserende christelijke denominaties in Jeruzalem en zag van dichtbij de opmaat naar de Libanese burgeroorlog in de jaren zeventig. Het verwijt dat hij de identiteitspolitiek in de academische wereld introduceerde wierp hij dan ook steevast van zich af, al bleef het hem de rest van zijn leven achtervolgen.

Het zijn dit soort voorbeelden van Saids onafhankelijke en kritische houding die Brennan in Places of Mind mooi in kaart brengt, al moet je soms door de taaie academische theorieën heen lezen. Maar juist de intellectuele vorming is de meerwaarde van de biografie, waarmee Brennan knap laat zien hoe Said zowel de tijdgeest wist te vatten als te trotseren.

Volgens Brennan was Orientalism, en in zekere zin de hele persoon van Said, onlosmakelijk verbonden met de Palestijnse kwestie. Als onvermoeibare pleitbezorger van de Palestijnse zaak wist hij, juist als ‘Amerikaan’ en met zijn sterrenstatus, de onderdrukte Palestijnen een stem te geven in het Westen. Vanaf 1977 zetelde hij – als onafhankelijk lid – in de Palestijnse Raad, het officieuze parlement in ballingschap. Dat dit geen leunstoelactivisme was werd wel duidelijk na jarenlange bedreigingen door radicale zionisten in de VS en de aanslag op zijn kantoor met een brandbom. De FBI hield zelfs een dossier bij vanwege zijn ‘activiteiten’, 238 pagina’s dik (waarvan Brennan de vrijgegeven 147 pagina’s kon gebruiken). Said merkte ooit op dat hij zijn kritische geluid makkelijker in Israël in de krant gepubliceerd kreeg dan in New York.

Palestijnse Versailles

De ironie was hem overigens zelf niet ontgaan; zijn aversie tegen identiteitsdenken en nationalisme naast zijn deelname aan de strijd voor Palestijnse zelfbeschikking. Alsof Said uiteindelijk toch ergens bij wilde horen – of een uitlaatklep zocht voor zijn overtuiging dat kunst en literatuur in essentie over bevrijding gaan. Gedesillusioneerd door de Oslo-akkoorden in 1993 – de volgens hem veel te lakse Palestijnse opstelling zag hij als een overgave, het akkoord als ‘het Palestijnse Versailles’ – kon de tweestatenoplossing wat hem betreft wel begraven worden. Met die constatering, en zijn pleidooi voor het streven naar één seculiere staat met gelijke rechten voor alle burgers, was hij zijn tijd ver vooruit.

In dezelfde periode werd leukemie bij hem vastgesteld, waar hij na een lange strijd in 2003 op 67-jarige leeftijd aan zou overlijden. ‘We live, as we dream, alone…’ zou hij Joseph Conrad citeren om zijn melancholie te beschrijven. Maar wie Places of Mind leest maakt kennis met een briljante en vrije geest, met een groot hart voor zijn vrienden, collega’s, studenten en bovenal ‘zijn’ volk. Een humanist in de breedste zin van het woord, wiens nalatenschap zowel in het Westen als in het Oosten van onschatbare waarde blijft.