Op is op de terugtocht

Over voorzetsels wordt verhit gediscussieerd. Maar de keuze voor ‘op’ of ‘in’ is volkomen willekeurig, ziet .

Het kost hooguit een seconde om ‘in de Hoogstraat’ te zeggen – genoeg voor de luisteraar om vast te stellen: die is niet van hier, wij zeggen ‘op de Hoogstraat’. Taalgebruik is identiteitspolitiek tot in de details. Dat verklaart misschien waarom bijna iedere Nederlandse gemeente zo’n straat heeft waar je ‘op’ moet zeggen in plaats van ‘in’, of juist ‘in’ in plaats van ‘op’, of ‘aan’ in plaats van allebei.

Mensen kennen vaak lange verhalen bij die keuzes: de Hoogstraat was vroeger een dijk, vandaar op. Nee, er lag hier vroeger een grachtje, daarom aan. Nee, hier stond een hofje, en daar woonde je juist in. Maar je kunt net zo goed denken dat dit rationalisaties zijn van willekeurige keuzes en dat het er in wezen om gaat onmiddellijk te zien wie de sukkelige toerist is die denkt dat hij in de straat moet zijn waar hij al op staat.

Straatnamen zijn niet de enige woorden die verschillende voorzetsels voor zich kunnen vragen. Studeer je op de universiteit of aan de universiteit? Ga je met vakantie of op vakantie? Is het in de eerste plaats of op de eerste plaats?

Over de laatste uitdrukking werd al in de jaren dertig uitgebreid gediscussieerd in hooggeleerde kring. Het bleek een kwestie van geloof: katholieken zeiden doorgaans ‘op’ en niet-katholieken ‘in de eerste plaats’. Hoe zat dat? De Nijmeegse hoogleraar en jezuïet Jacques van Ginneken en de Utrechtse hoogleraar en priester Gerlach Royen meenden dat het kwam uit het zeventiende-eeuwse Mechelse catechismus, waarin op werd gebruikt. Terwijl de rest van Nederland van de roomse kerk was afgedwaald en zich ook nog door het Franse ‘en premier lieu’ had laten beïnvloeden, hadden de katholieken in geloof en taal vastgehouden aan wat goed en waar was.

Het is hoe dan ook het enige voorbeeld van een verschil in het Nederlands dat langs religieuze lijnen verloopt. De zachte g is geen voorbeeld, want katholieken uit het noorden hebben een harde, en protestanten uit het zuiden een zachte.

Het is „in Urk”, niet „op Urk”, schreef een lezer vorige maand aan de Ombudsman van NRC. Foto Berlinda van Dam / HH / ANP

De verklaring is in de loop van de tijd ook wel toegepast op andere gevallen van variatie tussen op en andere voorzetsels. Katholieken zouden ook vaker op vakantie gaan. Maar in dit geval weten we feitelijk helemaal niet wie nu op zegt en wie met; het lijkt een volkomen willekeurige, individuele keuze. Sommige mensen voelen ook wel een betekenisverschil: als je op vakantie gaat, ga je ook op reis terwijl je met vakantie ook thuis kunt blijven. Maar niet iedereen deelt dat taalgevoel. En zo zijn ook de verschillen tussen ‘op’ en ‘in bed liggen’ of die tussen ‘in’ en ‘op een dorp wonen’ lang niet gemakkelijk te bepalen.

Als je de discussie tussen de priestergeleerden uit de jaren dertig nu doorleest, valt overigens op dat ‘op’ enigszins op de terugtocht is. In die tijd werden nog ‘op een jaar tijd’ en ‘op mijn naam’ genoteerd. Misschien wordt de taal langzaam homogener. Behalve waar het gaat om straatnamen, waar kennis van de lokale situatie zo belangrijk is.