Geen werk? Dan ook geen geld voor de kinderopvang

Kinderopvangtoeslag De SER adviseerde onlangs om álle ouders kinderopvangtoeslag te geven, voor twee dagen per week. Vier ouderparen vertellen hoe het systeem werkt: „Ouders die hun baan kwijtraken, worden dubbel gestraft.”

Chris Konijnenburg, zijn vrouw Lauri Stabel en hun baby in hun woonkamer in Amsterdam-Noord.
Chris Konijnenburg, zijn vrouw Lauri Stabel en hun baby in hun woonkamer in Amsterdam-Noord. Foto Simon Lenskens

Honderden euro’s per maand gaat het kosten om hun baby één dag in de week te laten opvangen. En in die ene dag per week moet het gebeuren: dan gaat Lauri Stabel (37) op zoek naar een nieuwe baan. Nu zorgt ze fulltime voor haar pasgeboren baby, haar vriend Chris Konijnenburg werkt fulltime als planoloog.

Stabel wil zich oriënteren op een nieuwe carrière. De Amsterdamse was office manager in de pr- en marketingsector, maar raakte vorig jaar haar baan kwijt en wil nu graag werk in de zorg. Voor vacatures zoeken, sollicitatiebrieven schrijven en sollicitatiegesprekken voeren, heeft Stabel één dag in de week. Haar kind meerdere dagen naar de opvang brengen, zou „bijna een maandsalaris” kosten. En kinderopvangtoeslag ontvangt het gezin niet, omdat Stabel niet werkt. Het is een gekmakende vicieuze cirkel.

De Sociaal-Economische Raad (SER) adviseerde eerder deze maand om kinderopvang voor alle ouders twee dagen in de week financieel toegankelijk te maken. Nu hebben ouders alleen recht op een kinderopvangtoeslag wanneer ze beiden werken of studeren. In 2019 kregen 657.850 huishoudens de toeslag. Moet je het zelf betalen, dan kost opvang op een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal tussen de acht en negen euro per uur. Buitenschoolse opvang is ongeveer een euro goedkoper.

Je hoeft maar met een paar sollicitaties pech te hebben of je raakt je toeslag kwijt

Suzanne Schönbeck Gedupeerde ouder

Volgens de SER is kinderopvang niet alleen „van groot belang voor de arbeidsparticipatie van ouders”, maar ook om arbeid en zorg te kunnen combineren. Als het aan het adviesorgaan ligt, vervalt de eis dat ouders moeten werken als eerste bij kinderen tussen de 0 en 4 jaar. „Daarna moet er ook voor kinderen van 4 tot 13 jaar een financieel toegankelijk aanbod van 2 dagen kinderopvang per week worden gerealiseerd.” Als het advies in zijn geheel wordt doorgevoerd, kost dat de overheid jaarlijks 400 tot 480 miljoen euro.

Konijnenburg was niet verbaasd dat zijn vriendin Lauri Stabel en hij niet het volle pond aan kinderopvangtoeslag kregen. Maar helemaal niets? „De zorg voor een pasgeboren kind vraagt je volledige aandacht en zorg. Daarbuiten krijg je niet zo veel gedaan. Dus is het heel moeilijk om tijd en energie te steken in werk zoeken.” Oma zou met liefde willen bijspringen, maar woont 120 kilometer bij haar nieuwe kleinzoon vandaan. „Het is ondoenlijk om dat te organiseren.”

In die ziektewet? Weg toeslag

Een achtbaan, zo beschrijft Welmoed Tempelman (42) de afgelopen jaren. De moeder van drie uit Dalfsen werd tijdens haar laatste zwangerschap ernstig ziek. Toen haar jaarcontract in het onderwijs afliep, kwam ze in de Ziektewet terecht. Hierdoor hadden Tempelman en haar man, die fulltime in het hoger onderwijs werkt, na drie maanden geen recht meer op kinderopvangtoeslag voor de twee oudere kinderen.

Inmiddels is Tempelman herstellende en zou ze op termijn graag weer aan het werk willen. Maar hun jongste kind, dat inmiddels twee is, heeft epilepsie. Noodgedwongen blijft Tempelman daarom voorlopig thuis om voor haar te zorgen en heeft om die reden opnieuw geen recht op kinderopvangtoeslag. Haar zoons van vijf en acht gaan niet meer naar de buitenschoolse opvang; dat is simpelweg te duur.

Zonder toeslag is de peuterspeelzaal voor ons onbetaalbaar, dus ik blijf het maar uitstellen. Zo zonde.

Welmoed Tempelman Werkzoekende moeder

Hun dochtertje staat inmiddels bovenaan de wachtlijst van de peuterspeelzaal en zou daar drie ochtenden per week welkom zijn. Tempelman: „Maar zonder toeslag is dat voor ons onbetaalbaar, dus ik blijf het maar uitstellen. Het is zo zonde, de peuterspeelzaal is zo goed voor de ontwikkeling van kinderen. En het zou mij de ruimte geven om uit te rusten en naar werk te zoeken.”

Merel Leeman en haar vriend waren niet direct gealarmeerd toen ze een brief van de Belastingdienst kregen waarin stond dat ze „vele duizenden euro’s” aan ontvangen kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen. Een misverstand, dacht de 42-jarige historica uit Amsterdam. „De Belastingdienst is een redelijke organisatie, dacht ik toen nog. We kunnen aan ze uitleggen hoe het écht zit.” Het liep anders.

Geen dialoog mogelijk

Hun dochter, die inmiddels zeven is, ging drie à vier dagen per week naar de kinderopvang. Leeman en haar vriend werkten beiden fulltime. Hij als freelance journalist, zij als promovenda en docent aan de universiteit. Maar omdat Leeman uitliep met haar promotieonderzoek beschouwde de Belastingdienst dat niet meer als werk of studie. Alleen de uren waarin ze lesgaf, telden mee bij het berekenen van de kinderopvangtoeslag. De rest moest het stel met terugwerkende kracht terugbetalen. Ze tekenden bezwaar aan.

Een gevoel van machteloosheid overheerste. Leeman: „De medewerkers van de Belastingdienst die wij spraken, leken geen idee te hebben wat ‘promoveren’ inhoudt. Er was geen dialoog mogelijk, het was heel naar om mee te maken.” Hun bezwaar werd afgewezen.

Leeman en haar vriend benadrukken dat hun zaak minder ernstig is dan die van de etnisch geprofileerde en van fraude beschuldigde ouders. En zij hadden het geluk dat ze hun ‘schuld’ met hun spaargeld konden aflossen. Maar onrechtvaardig vinden ze het wel. Leeman: „Er wordt niet gekeken naar individuele gevallen. Daarvan zijn wij ook de dupe geworden. Het ontbreekt bij de Belastingdienst echt aan goede wil.” Het stel hoopt alsnog gecompenseerd te worden.

Hard tikkende klok

Zoals zoveel ouders werkten en zorgden Suzanne Schönbeck (34) en haar vriend Mark Bakker (37) vorig jaar om en om voor de kinderen toen de opvang door de lockdown gesloten was. Beiden werkten ze fulltime en waren ze opgelucht toen hun twee kinderen weer naar de opvang konden. Maar bijna tegelijkertijd raakte Bakker zijn baan in de IT kwijt. Schönbeck: „De termijn van drie maanden waarna je de toeslag kwijtraakt, gaat meteen in. Je hoeft maar met een paar sollicitaties pech te hebben of die drie maanden zijn voorbij.”

Het Utrechtse stel maakte zich vooral zorgen over de kinderen. Als ze de kinderopvang noodgedwongen zouden opzeggen, zouden ze die plekken niet zomaar terug krijgen wanneer Bakker weer een baan vond. „Je belandt dan weer onderaan de wachtlijst en je kinderen zijn hun vertrouwde plek kwijt. We wilden niet dat zij hier de dupe van werden.”

Net als Leeman hamert Schönbeck erop dat zij „niet zielig” zijn. Inmiddels is haar vriend een leerwerktraject voor de pabo begonnen en hebben zij de periode zonder toeslag met spaargeld kunnen overbruggen. Maar een fijne tijd was het niet. „Het zou goed zijn als het advies van de SER wordt opgevolgd. Ouders die hun baan kwijtraken, worden dubbel gestraft. Je raakt als gezin de helft van je inkomen kwijt én je recht op kinderopvangtoeslag. Dat geeft echt heel veel stress.”

Lees ook: Snelle compensatie heeft herstel Toeslagaffaire vertraagd