Recensie

Recensie Boeken

Een betoverend boek over het Zweedse platteland

Marit Kapla Deze Zweedse journaliste schreef een betoverend boek over een bestaand gehucht. Daarin roepen de stemmen van de bewoners heimwee op naar een dorp dat je nooit bezocht.

Osebol ligt aan de rivier de Klarälven.
Osebol ligt aan de rivier de Klarälven. Foto Imageselect

Journalist Marit Kapla (1970) gooide in Zweden hoge ogen met haar debuut Osebol, over de kleine plaats waar ze opgroeide. Het boek telt meer pagina’s (namelijk meer dan 800) dan de plaats inwoners heeft, en op die pagina’s komen zo’n veertig (seizoens)bewoners aan het woord. Over elkaar, hun leven, de plek, de vergane glorie van een naburig skioord, de opkomst en ondergang van de houtindustrie en de dubbelboogse brug die maar niet gerepareerd wordt. Over de rust van de plek, het verschil tussen vroegere en jongere generaties, over vluchtelingen of vluchteling zijn. Of, zoals hieronder, over vinken:

INGALILL HAGSTRÖM GEB. 1942 HANS EMILSSONN 1939 – 2019

Nu zitten de vinken er weer.

Is dat geen vink, daar op de grond?

Die rood is op…

Nee joh.

Jawel, jawel, het is de vink.

De honderden pagina’s zijn allerminst dichtbedrukt. Kapla citeert de Osebolers schijnbaar woordelijk, inclusief zinsafbrekingen, stoplappen (‘we zien wel’) en verwijzingen naar fysieke handelingen (‘Dan moesten ze zo zitten… wacht.’). Het zijn fragmenten van de gesprekken die ze voerde met mensen die ze thuis opzocht – hun woningen zijn op een kaartje gemarkeerd voorafgaand aan ‘hun’ hoofdstukjes. Veel van de sprekers zijn oud; de mannen werkten als houtvlotters, de vrouwen vertellen over het plukken van bessen, het bestieren van huishoudens.

Sommigen zijn vóór het verschijnen van het boek gestorven, zoals Emilssonn uit bovenstaand voorbeeld – zij dwalen als een soort geesten door het boek, wat het waanzinnige project van Kapla nog melancholischer maakt dan het waarschijnlijk al was. De opgetekende monologen lijken, puur door die vorm natuurlijk, wel poëzie.

ALVAR JANSSON GEB. 1945

Wanneer ik mijn jongens

bij me had in het bos

dan vertelde ik ze

hier heet het zus en zus

en daar zo en zo

en dit bos

is van die en die.

Langzaam – laat je niet verleiden te snel door die mager bedrukte bladzijdes heen te razen – vult Kapla op deze manier, in deze fantastische vorm, het gehucht in. Het is werkelijk betoverend. De oude generatie moppert over de jonge (‘ze hebben zulke tere botten lijkt het wel’), de jongere generatie over het gebrek aan voorzieningen voor hun kinderen. Lijkt het aanvankelijk alsof Osebol voornamelijk uit landelijke opa-vertelt-anekdotes bestaat, later sluipt de wat rauwere werkelijkheid de verhalen in. De Hongaarse kunstenaar István, bijvoorbeeld, die ooit vluchtte voor de opstand in zijn land, zegt: ‘in die tijd waren vluchtelingen nog iets positiefs, zeg maar’. Of de vrouw die werkt met asielzoekers in de omgeving: ‘Je had gehoopt/ dat er hier meer waren gebleven/ een heleboel hadden hier misschien best willen blijven/ maar ja, de werkgelegenheid.’ Zij staan in fel contrast met de mannen die benadrukken dat ze wel racist genoemd worden maar het niet zijn. Zoals de man die zich ergert aan het sluiten van de scholen, het verdwijnen van de schaarse mogelijkheden in zijn omgeving: ‘Ze doeken alles op/ maar eindeloze aantallen vluchtelingen/ dat kan wel/ daar is geld voor.’

Zomerhuisjes

Ik wil schrijven dat het boek een ‘monument’ voor Osebol is, maar feitelijk bestaat de plek nog. Maar door de verhalen over alles wat verdwijnt – de jeugd, de jacht, de banen – ontstaat de indruk dat Kapla de lezer een laatste blik gunt op een uitstervend soort plek, en een uitstervend soort mens. Nieuwe aanwas is er wel, maar bestaat ook deels uit mensen die er zomerhuisjes houden. Zoals een Nederlands echtpaar, waarvan de vrouw verzucht dat je er eigenlijk permanent zou moeten wonen, omdat je anders ‘bijdraagt aan de ontvolking’.

Osebol is een boek dat door de stemmen van de bewoners heimwee oproept naar een dorp dat je nooit bezocht. Maar nu ken je het. Je kent de man die vertelt over de lokale beer. Je hebt getreurd om de overleden vrouw die zo mooi sprak over het plukken van vossebessen. Je weet dat de Poolse Maciej zijn naam maar veranderde in Mattias, want ‘Dat is voor de Zweden/ makkelijker om uit te spreken.’

Je wilt terug naar de plek die je niet kent, maar het is niet met zekerheid te zeggen of die ooit nog zal bestaan.