Recensie

Recensie Boeken

Wat je moet lezen van de koloniale leeslijst

Koloniale literatuur Geen beeldenstorm, een nieuwe beeldengroep. Deze essaybundel gidst de lezer door de koloniale literatuur, en biedt een staalkaart aan manieren om die boeken te lezen.
Schrijver Astrid Roemer
Schrijver Astrid Roemer Wouter van Vooren

Ooit was je een koloniale heerser, maar dat is nu voorbij. Het duurt natuurlijk even voordat je dat beseft en afscheid hebt genomen van alle heerlijke rechten die daarbij hoorden, en van al die mooie gevoelens van verhevenheid. Nee, je was niet de milde heerser die orde en welvaart bracht, zoals je al die tijd dacht. Je was vooral superieur in onderdrukken, roven en moorden. Trots wordt schaamte. Of in ieder geval bescheidenheid.

‘Dekoloniseer de geest!’ riep schrijver Ngugi wa Thiong’o. Dus loop je langs de boekenkast. Maar de boeken over de overzeese gebiedsdelen blijken geschreven door witte kolonialen, die Suriname, de Antillen en Indonesië zien als verloren paradijzen, waar de oorspronkelijke bewoners figureerden als zwijgende bedienden, onderdeel van het exotisch genoegen, of als onbegrepen duister gevaar uit de omringende, donkere bossen. Zulke boeken geven een eenzijdig, vertekend beeld. Moet je ze nu in een weggeefkastje aan de straat zetten? Nee, dat zou zonde zijn. Maar je kunt ze wel met andere ogen herlezen. En je kunt er wat andere boeken naast zetten, die de koloniale tijd van Suriname, Nederlands-Indië en de Antillen zien door de ogen van de oorspronkelijke bewoners.

Een goed begin is de essaybundel De nieuwe koloniale leeslijst, samengesteld door Groene Amsterdammer-redacteur Rasit Elibol. Een keur aan ervaren lezers, van Alfred Birney tot Lotfi El Hamidi, gidst je door de koloniale klassiekers. Ze geven een idee van de rijkdom van de koloniale literatuur, en bieden een staalkaart aan manieren om die boeken nu te lezen. Heb geen angst, dit wordt geen beeldenstorm, ze maken een nieuwe beeldengroep, als verrijkende aanvulling.

Van de vierentwintig behandelde schrijvers in deze bundel is bijna de helft niet wit. Onder hen bekende Surinaamse schrijvers als Albert Helman, Edgar Cairo en Astrid Roemer, maar ook minder bekende schrijvers als de Indonesische nationalist en feminist Suwarsih Djojopuspito en de dissident Pramoedya Ananta Toer, die gevangen zat onder zowel Nederlands als Indonesisch bewind. En niet te vergeten one hit wonder Frans Lopulalan, die de Molukkers een stem gaf met Onder de sneeuw een Indisch graf (1986).

Tempo-doeloeboek

Xandra Schutte neemt het in de bundel op voor Hella Haasse, wier novelle Oeroeg (1948) – over de vriendschap tussen een witte en een Indonesische jongen – ten onrechte werd weggezet als een onrealistisch tempo-doeloeboek. Volgens Schutte werd Haasse door haar critici te zeer vereenzelvigd met haar naïeve hoofdpersoon, en vonden ze dat zij als ‘Hollands meisje’ geen recht van spreken had. Dat terwijl Haasse tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog al meteen de Indisch-Nederlandse heimwee ontmaskerde: ‘Je verliest de wereld waarin je hebt geleefd, je realiseert je ineens dat dat helemaal jouw wereld niet is, dat het een illusie was.’

Je kunt het ook aanpakken als Gloria Wekker, die haar boek langs de intersectionele meetlat legt. Intersectionaliteit is een manier van kijken waarbij verschillende vormen van onderdrukking en discriminatie niet los van elkaar, maar juist in samenhang met elkaar worden gezien. Met die meetlat in de hand fileert Wekker nuchter de roman Het land van herkomst (1935) van E. du Perron. Ze schrijft dat het autobiografische boek veel inzicht geeft in de racistische hiërarchie in de Indische samenleving. ‘Du Perron laat ons zijn verandering, zijn “verzachting” en grotere empathie ten opzichte van de Indonesische bevolking in de loop van de tijd zien, maar blijft toch ten diepste gevangen in een koloniaal, racistisch en seksistisch wereldbeeld.’

Wekkers methode is verhelderend, verfrissend, maar ook ietwat reductionistisch, zeker voor een literaire beoordeling. Dit moet geen postkoloniale annexatie der klassieken worden: een canon bouwen rondom je idealen, en met terugwerkende kracht de schrijvers van toen inlijven als medestrijders, of uitdrijven als tegenstanders. Romans zijn geen geschiedenisboeken en geen politieke pamfletten. Als het goed is, zijn ze daar niet eenduidig genoeg voor. Bovendien laten goede romans vaak het zeer persoonlijke wereldbeeld van de schrijver zien, en hebben dus niet zo gek veel met de werkelijkheid te maken. Als de romans van elders komen, of uit een andere tijd, heb je verder grote kans dat ze een moraal tonen die de onze niet is. Juist interessant, zou je zeggen.

Vrije kunsten

Stephan Sanders kiest ervoor om, zoals vaker, tegen de haren in te strijken. Hij vermijdt het postkoloniale debat niet, maar kiest radicaal voor de vrije kunsten, en zijn strikt persoonlijke voorkeur. Zijn recalcitrantie begint al met de novelle die hij kiest: Mijn zuster de n****** van Cola Debrot uit 1935. Je begrijpt dat zo’n titel het moeilijk zou hebben in de hedendaagse boekhandel. In de inhoudsopgave (en in deze recensie) staat die titel dan ook met sterretjes, maar Sanders spelt tegendraads het volledige N-woord voor ons uit. Een planterszoon keert terug op Curaçao met het verlangen om de ‘visachtige kilheid’ van Europa achter zich te laten en op te gaan in een zwarte vrouw. ‘Negrofilie’ dus, à la Alleen maar nette mensen (2008) van Robert Vuijsje. Sanders begrijpt wel wat het probleem is van zo’n titel en zo’n inhoud, maar hij wil Cola Debrot niet afvallen. Hij bewondert de decadente schrijver met zijn fijnzinnige stijl, en hij voelt zich aangesproken door Debrots onderwerp: de eenzaat die zich losmaakt uit de groep waartoe hij geacht wordt te behoren.

‘Waarom zou je de literaire creatie van een oud-koloniaal willen censureren?’ schrijft Sanders: ‘Je blijft van oude boeken af. Want alles wat daarin staat, of niet staat, alles wat volkomen te goeder trouw wordt verteld, verhaalt van een verleden dat het onze niet meer is.’

Mooi gezegd, maar zo maakt Sanders wel een karikatuur van het debat. Het gaat niet zozeer om het cancelen van dode kolonialen, of het vervangen van onvoegzame woorden door puntjes, het gaat erom op een andere manier naar de canon te kijken. En die is altijd in beweging.

Niet voor niets staan er geen boeken in deze bundel die het koloniale leven ondubbelzinnig verheerlijken, want dat vinden we allang niet meer leuk. Vrijwel alle behandelde schrijvers, zowel de witte als de zwarte en de Indonesische, tonen in hun werk in feite hetzelfde: ‘het demasqué van de witte mens, die in de tropische oorden niets te zoeken heeft.’

Correctie: In een eerdere versie stond dat de novelle ‘Mijn zuster de n****** van Cola Debrot zich afspeelt op Bonaire. Dat moet Curaçao zijn.