Opinie

Parachuutje

Ellen Deckwitz

‘Goddank hoeven we straks geen mondkapje meer op”, verzucht de zus als ze bij thuiskomst de hare op tafel smijt. Toen ze een tijdje terug een paniekaanval kreeg terwijl ze er een droeg (het zelfgemaakte ding trok vacuüm op haar mond) is ze er klaar mee. Ze kijkt er sindsdien met dezelfde walging naar als iemand naar de mixdrank die hem deed overgeven. Haar zoons (15 en 12) staren haar aan.

„Eigenlijk is het grappig”, zegt de oudste, „dat je ze draagt en het daardoor benauwd hebt, om de benauwdheid die door corona wordt veroorzaakt weer te kunnen voorkomen. Behoorlijk poëtisch, als je het mij vraagt.”

„Poëzie is ook niet alles, hè”, snauwt ze en ik kijk maar even de andere kant op. Zelf ben ik fan, ik heb veel meer sjans met zo’n ding op. De oudste vist een van de mondkapjes uit de fruitschaal. Hij ziet zijn moeder rillen.

„Joh, als we ze straks niet meer op hoeven, gaan we de hele buurt langs om ze te verzamelen en dan maken we er een vreugdevuur van”, mijmert hij. De jongste speelt wat met een versleten exemplaar, draait hem rond in zijn handen, trekt aan de elastiekjes, en moet dan lachen.

„Kijk nou!”, zegt hij, terwijl hij het exemplaar ondersteboven houdt en de touwtjes naar beneden trekt, „het is net een parachuutje!”

„Potverdrie”, zegt de oudste, „dat me dat het hele jaar nog niet is opgevallen! Je droeg gewoon de hele tijd een valscherm, mam!”

„Ja ja”, moppert de zus, „maak er maar weer een metafoor van, dan is het allemaal weer helemaal goed.”

Dat steekt – ik probeer altijd van alles metaforen te maken zodat de wereld weer meevalt – en ik sluip de achtertuin maar in om even aan mijn zus’ humeur te ontkomen. Over de heg zie ik haar hoogbejaarde buurman zitten. Toen corona uitbrak, heeft hij een jaar in isolatie geleefd. Zelfs in zijn eigen tuin droeg hij een mondkap, maar nu hij gevaccineerd is, durft hij eindelijk weer zonder te leven.

Blij zwaait hij naar me. Ik wuif terug en neem plaats in de hangmat, haal uit mijn broekzak mijn lievelingsmondkap. De flarden hangen er, na een jaar wassen en dragen, bij. En wat ik ook probeer, ik blijf het ding zien als een uitgediend parachuutje, als een lapje stof dat zijn plicht heeft gedaan. De val is aan het breken, nog even en we kunnen zonder. Zullen we, waar we ook zijn, weer onbekommerd door de lucht scheren, vrijuit ademend. Voor geen val meer bang.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.