Hoe werkt dat ook alweer, smalltalk?

Smalltalk geeft tips om soepel te kunnen manoeuvreren in het post-coronapartylandschap.
Illustratie: Jasmijn van der Weide

Hoe werkt dat ook alweer, smalltalk? De vraag bekroop me dit voorjaar op een begrafenis, de eerste grote bijeenkomst sinds het begin van corona. Ik streek neer bij wat aangetrouwde tantes en vroeg of ze al gevaccineerd waren. Dit onderwerp bleek weinig los te maken maar ik zette door, op hoop van zegen. Een 88-jarige tante liet hierop haar blik over mijn gezicht glijden, viel een ogenblik stil en zei toen: „Ik ga even naar de wc.” Dit kwam hard aan. Ik kende de wc-truc nog uit oude tijden, voordat corona bestond: ik had hem dikwijls toegepast om aan een gesprek te ontkomen. Dit keer was ik zelf het slachtoffer. Waren mijn conversatieskills in het coronajaar zó verslechterd?

Een paar maanden later gaat het beter. Ik heb wat rondgevraagd en veldonderzoek verricht, en ben tot de volgende handleiding gekomen voor geslaagde interacties op borrels en feesten.

Eerst is het zaak om te kiezen: wil je aan de oppervlakte blijven of de diepte in? Wat goed werkt in de eerste categorie is de vraag: „Wat heb je vandaag gedaan?”, of: „Had je een leuke dag?” Het antwoord levert altijd nieuwe aanknopingspunten op. Stel, iemand zegt: „’s Morgens had ik een vergadering en daarna ging ik naar de dierenarts om mijn kat te laten inslapen”, dan kun je bijvoorbeeld vragen: „Oh, ben je een kattenmens?” Een andere optie is het Dilemmaspel. Vraag bijvoorbeeld: „Wat wil je liever: een jaar in quarantaine, of de rest van je leven vergezeld worden door een doventolk?”

Ook wie de diepte in wil, heeft genoeg te kiezen. Je kunt bijvoorbeeld losjes iets laten vallen over outsourcing en globalisering, om dan te vragen: „Geloof jij dat de productielijnen door corona echt korter zullen worden?” (Pas op: als je gesprekspartner geen interesse heeft in dit onderwerp, schuift deze vraag door naar de categorie ‘een gesprek beëindigen’.)

Ook in emotionele zin kun je de diepte in. De vraag „Wanneer heb jij het hardst gehuild tijdens corona?” maakt in mijn ervaring veel los. Of, nog breder: „Vind jij jezelf een normaal mens?” (Zorg er wel voor dat je niet aanvallend klinkt, maar geïnteresseerd.) Aan de hand hiervan kun je vragen behandelen als: wat is normaal eigenlijk?, en: zijn normale mensen leuk?

Als je het allemaal niet meer weet, kun je altijd terugvallen op opmerkingen over de snacks en dranken ter plaatse. Bijvoorbeeld: „Schandalig dat ze in Nederland nergens Badoit serveren, vind je niet?”, of: „De zoute stick is aan rehabilitatie toe.”

Een andere kunst is het beëindigen van een gesprek. De wc-truc is niet eeuwig toepasbaar, dat gaat opvallen. Je kunt natuurlijk zeggen dat je nog andere mensen moet spreken. Maar maak dat dan ook waar, en voorkom dat je gesprekspartner je een minuut later moederziel alleen aantreft bij de nootjes. Een andere optie is de afstootstrategie, waarbij je dingen zegt als: „Heftig hè, dat bacteriën zo snel resistent raken tegen antibiotica? En dat daardoor miljoenen doden zullen vallen?” In een paar minuten zijn de meeste mensen dan wel weg.

Ook met lichaamstaal kun je veel doen. Afhankelijk van hoe aardig je naderhand nog gevonden wil worden, kun je een beetje gapen, op je telefoon kijken of langzaam achteruit lopen, totdat je uit beeld verdwenen bent.

Met deze adviezen in de hand is het soepel manoeuvreren door het post-coronapartylandschap. Loopt de interactie toch nog spaak, dan ligt het sowieso aan de ander.