Reportage

‘In het Vondelpark broeden nu ganzen, maar de mussen zijn de stad uit’

Vogels tellen Amsterdam krijgt een uitgebreide vogelatlas. Ruim honderd vogelaars helpen mee om alle soorten en aantallen in kaart te brengen. Met sommige gaat het – mede door het vele bouwen – dramatisch, met andere juist heel goed. „De natuur grijpt kansen waar die zich voordoen.”

Frank van Groen telt de vogels van Amsterdam en omgeving.
Frank van Groen telt de vogels van Amsterdam en omgeving. Foto Olivier Middendorp

Uit een moerassig gebied met hoge, dorre rietstengels klinkt een kakofonie aan vogelgeluiden. „Dat getjilp is van de rietgors”, zegt vogelaar Tobias Woldendorp (64), terwijl we stil blijven staan luisteren. „Die adhd-achtige is de rietzanger en dwars daar doorheen, met dat sonore getjilp, gaat de kleine karekiet.” Boven het riet hangen elektriciteitskabels. Iets verderop begint Durgerdam.

We zijn in Waterland, achter ons ligt het IJ. Wolderdorp werkt mee aan de Vogelatlas van Amsterdam die in de maak is. Hij doet een officiële telling waarvoor hij deze zaterdag om 7 uur ’s morgens is begonnen. Samen met meer dan honderd anderen brengt hij de vogels van Amsterdam en omstreken in kaart. Het project loopt sinds 2019 en is een initiatief van de lokale Vogelwerkgroep Amsterdam.

„Kijk, daar gaat ie omhoog”, wijst Woldendorp. Uit het riet stijgt een vogeltje met een korte vlucht op om zich vervolgens direct weer naar beneden te storten. Een rietzanger. „Daarmee laat hij zien: dit is mijn territorium”, verklaart de teller. „En hij probeert er een vrouwtje mee te lokken.” Op een uitgeprinte plattegrond maakt Woldendorp een aantekening. Het blad staat vol krabbels. ‘Kk’ staat voor ‘kleine karekiet’, laat hij zien.

Tobias Woldendorp telt de vogels in een kilometerhok bij Durgerdam. „Die adhd-achtige is de rietzanger.” Foto Kirsten Dorrestijn

Nooit eerder zijn de vogels van Amsterdam zo systematisch en uitgebreid in kaart gebracht. In 1996 verscheen het boek Sijsjes en drijfsijsjes, een uitgave van de stadsecologen Martin Melchers en Remco Daalder. Daarop is deze vogelatlas een vervolg. Het inventarisatiegebied is nu groter: ook Waterland, het Ilperveld, Marken, Botshol en Uithoorn worden meegenomen – het werkgebied van de Vogelwerkgroep Amsterdam. En ook de wintervogels worden nu geteld, niet alleen de broedvogels.

Vespreiding verandert snel

Frank van Groen (57) is de initiatiefnemer en trekker van de atlas. Hij telt al vogels sinds begin jaren 80. Het idee kwam tijdens een lezing van voormalig stadsecoloog en natuurcolumnist van deze krant Remco Daalder, twee jaar geleden. „Hij liet vallen dat er sinds Sijsjes en drijfsijsjes veel is veranderd”, vertelt Van Groen, „en verzuchtte dat het leuk zou zijn als er weer eens een vogelatlas zou verschijnen. ‘Dat is wel wat voor mij’, dacht ik meteen. De verspreiding van vogels verandert snel. Een gedetailleerde atlas zal zeker nieuwe inzichten opleveren.”

Van Groen deelde het werkgebied op in 554 kilometerhokken (een kilometerhok is één vierkante kilometer groot) en begon rond te vragen wie wilde meehelpen. Inmiddels tellen er 132 mensen mee. Hokken die minder in trek zijn, zoals bij Schiphol of Uithoorn, heeft hijzelf op zich genomen. Zo komt het dat hij afgelopen winter 130 kilometerhokken telde en nu, in de broedperiode, ook nog zo’n dertig.

Initiatiefnemer Frank van Groen telt al twee jaar voor de toekomstige Vogelatlas van Amsterdam. Foto Olivier Middendorp

De wintervogels zijn in alle kilometerhokken al geïnventariseerd, voor de broedvogels worden dit seizoen de laatste hokken gedaan. De komende periode worden alle gegevens geanalyseerd en de kaarten gemaakt. Nu al zijn er grote verschillen met Sijsjes en drijfsijsjes zichtbaar. Zo zijn de populaties halsbandparkieten en grote alexanderparkieten explosief gegroeid, net als verschillende soorten ganzen.

Bosvogels en slechtvalken

Het ouder worden van de bomen in bijvoorbeeld het Amsterdamse Bos zorgt er bovendien voor dat echte bosvogels het relatief goed doen: appelvink, boomklever en groene specht kwamen vroeger in Amsterdam niet voor.

De cetti’s zanger, een soort uit Zuid-Europa, lift mee met de klimaatverandering. In 1996 – toen Sijsjes en drijfsijsjes verscheen – kwam deze vogel niet voor in Amsterdam, nu is hij al in 33 hokken geteld. Eenzelfde soort tendens geldt voor de slechtvalk. Amsterdam kent tien broedparen, terwijl deze roofvogel in bovengenoemd boek nog ontbreekt.

IJsvogel. Foto Getty Images/iStockphoto

Ook de ijsvogel is opgerukt in Amsterdam. Terwijl deze soort enkele decennia geleden alleen nog langs beken in Oost-Nederland voorkwam, is hij nu al in 21 kilometerhokken geteld. Dat hij het zo goed doet, is vooral te danken aan de vele ijsvogelwanden die vrijwilligers aanleggen bij slootjes en plassen.

Dramatische afname weidevogels

Maar het gaat niet alle soorten voor de wind. Sterker nog: voor vele geldt een dalende trend. Weidevogels zoals grutto’s, kieviten, tureluurs, scholeksters en kemphanen – vogels die Tobias Woldendorp in zijn kilometerhok kan aantreffen – zijn dramatisch afgenomen in aantal. Van Groen verklaart: „Grote delen van het landschap zijn geleidelijk aan verstedelijkt, en in het agrarische gebied is de landbouw geïntensiveerd. Van een open, kaal gebied waar grutto, kievit en kemphaan zaten, is het veranderd in een besloten terrein met huizen, tuinen en sportvelden. Bouwen betekent automatisch dat het aantal vogels afneemt.”

Kemphaan. Foto Getty Images/iStockphoto

Ook het Havengebied, dat lange tijd braak lag vanwege de oliecrisis, is bijna helemaal volgebouwd. Een industrieterrein laat weinig ruimte voor dieren, zegt Van Groen. „Op een geasfalteerde weg kunnen vogels niet leven.”

Toch is de natuur onvoorspelbaar, weet hij. „De natuur grijpt kansen waar die zich voordoen. Neem de toename van de ganzen. In de jaren 90 hadden we staan klappen als we hoorden hoeveel er nu zijn. De grauwe gans en de brandgans broedden toen nog niet op Amsterdams grondgebied en de nijlgans was er nog niet.” Ganzen profiteren van de intensivering van de veehouderij: ze eten voornamelijk gras, verklaart Van Groen. „Als je nu Waterland in fietst, zie je enorme groepen.” Zelfs in het Vondelpark broeden grauwe ganzen en nijlganzen.

Durgerdam tot Ransdorp

In Durgerdam, met teller Tobias Woldendorp, scheert een boerenzwaluw over ons heen. „Ik vermoed dat die in de boerderij daar verderop broedt”, zegt Woldendorp, wijzend op een wit gebouw vlakbij Durgerdam. „Dat zet ik bij mijn waarnemingen als indicatie.” Vandaag telt Woldendorp het kilometerhok dat loopt van Durgerdam tot Ransdorp. Het is de vierde keer dat hij ervoor op pad is en hij gaat binnenkort nog een keer. Om gemiste soorten aan te vullen, kijkt hij in de Nationale Database Flora en Fauna, waarin het hele jaar rond waarnemingen van vogelaars terechtkomen.

Als we teruglopen horen we plotseling een snorrend geluid. ‘Geluk!’, lacht hij. Het is de snor

Woldendorp wijst op een mannetjes-fazant die met zijn roestbruine lijf boven het hoge gras uitkomt. „Er zitten er hier een stuk of zes.” Voor de atlas worden alleen de mannetjes geteld, vertelt hij. „Oneerlijk, maar die voeren baltsgedrag uit.” Dat hij geluid maakt, is volgens Woldendorp een teken dat hij waarschijnlijk hier broedt. „Ik denk dat het vrouwtje hier ergens op het nest zit.”

Of een vogel aangemerkt kan worden als broedvogel in een gebied hangt af van het gedrag (baltsend, zingend of op een nest) én hangt nauw samen met de tijd waarin hij gezien wordt. „Vorige keer zag ik een oeverloper”, zegt Woldendorp als we verder wandelen. „Maar als je half april een oeverloper ziet, is dat waarschijnlijk nog een trekvogel, die nog naar Scandinavië of Finland gaat. Hetzelfde geldt voor scholeksters en kemphanen. Pas als ik tijdens mijn laatste ronde in juni weer een oeverloper hoor, ga ik hem optekenen.” De kans dat dit gebeurt is erg klein, denkt Woldendorp. „Ze broeden in Nederland eigenlijk alleen langs de grote rivieren.” Ook de sperwer die hij vanochtend zag, broedt waarschijnlijk in een ander kilometerhok en vloog alleen over.

Tellen kan niet in binnentuinen

Het is onmogelijk álle vogels van Amsterdam te tellen – alleen al vanwege de vele binnentuinen die onze stad kent. Daarom maken de tellers een schatting van de aantallen in een kilometerhok op basis van waarnemingen en de hoeveelheid geschikte biotoop.

Blauwborst. Foto Getty Images/iStockphoto

„Oh.” Woldendorp kijkt serieus voor zich uit na het horen van een geluid uit het riet. „Ja. Dat subtiele geluidje was een blauwborst” – en hij begint op de plattegrond aantekeningen te maken. De vogel opsporen met zijn verrekijker doet hij niet. „Mijn ervaring is dat blauwborsten zich lastig in de kijker laten zetten.”

Voor de atlas worden de aantallen vogels die de tellers waarnemen opgedeeld in vijf klassen: 1 broedpaar, 2-5 paar, 6-25, 26-100 of meer dan 100 broedpaar. „Ik heb vijf grasmussen geteld, ik zal er vast wel één hebben gemist in een struik”, vertelt Woldendorp. „Daarom heb ik hem in de categorie van 6 tot 25 gezet.”

Met een grote of kleine stip zal in de atlas worden aangegeven of er veel of weinig exemplaren in een hok zitten. Op die manier kunnen lezers door hun oogharen zien wat belangrijke gebieden zijn voor een bepaalde soort.

‘In Noord wordt groen volgebouwd’

Frank van Groen voelde de noodzaak de atlas te maken, omdat hij zich zorgen maakt over de vogels in de stad. „Amsterdam dreigt steeds dichter bebouwd en groter te worden”, zegt hij. „De laatste tien tot vijftien jaar is er veel veranderd. In Noord worden groene gebieden volgebouwd, dat zie ik als een bedreiging van de natuur in de stad. Met de vogelatlas willen we vastleggen wat er nu is, zodat we kunnen zien wat de ruimtelijke ontwikkelingen doen. Als er over twintig jaar weer een vogelatlas verschijnt, hoop ik dat er niet minder vogels zijn, maar ik vrees...”

Ook Woldendorp denkt dat het belangrijk is met de atlas trends in een gebied zichtbaar te maken, om te ontdekken wat voor soort biotopen dreigen te verdwijnen. Hij hoopt dat landschapsarchitecten de informatie uit de atlas tot zich nemen.

Lees ook: Zomervogel

„Hé, gierzwaluwen”, onderbreekt hij omhoogkijkend zijn verhaal waar het gierende geluid vandaan komt. „Die broeden in Durgerdam. Daar zag ik ze bij een woning onder de dakpannen schieten.”

In Durgerdam aangekomen wijst Woldendorp op de huismussen. „Bij mij in het centrum van Amsterdam heb je die niet meer.” In het haventje broedt een meerkoet op een nest. Na een hele ochtend tellen zal Woldendorp de gegevens invoeren op een excel-sheet en uiteindelijk in overleg met Van Groen de geschatte aantallen hier en daar bijstellen.

Als we teruglopen over de dijk horen we in het rietmoeras beneden ons plotseling een snorrend geluid. „Geluk!”, zegt Woldendorp met een glimlach. Hij noteert een snor op zijn papier.

Snor. Foto Getty Images/iStockphoto

Vorig jaar telde Woldendorp een kilometerhok in het centrum van Amsterdam, bij het Frederiksplein. Maar Waterland vindt hij spannender. „In het centrum heb je weinig variatie. Hier heb je veel meer soorten biotopen. Dat maakt de rafelranden van de stad zo interessant. Een snor of een blauwborst zie je niet in de binnenstad, al broedt er bij mij in de straat wel een ooievaar.”

Naar verwachting verschijnt de Vogelatlas van Amsterdam in de loop van 2022 (uitgeverij Noordboek).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.