Hoe bandbusje ‘Odolf de Verschrikkelijke’ ons verbroederde

Biografie van een bandbus In de documentaire ‘What Drives Us’ brengt Dave Grohl een ronkende lofzang op de magie van de bandbus. Lekker makkelijk, als je een stinkend rijke superster bent. Maar wat bezielt zwoegers en kleine krabbelaars zoals ik om hun leven te wagen in zo’n gammele koektrommel op wielen?

Illustratie Gijs Kast

Kijk hem dansen. We zijn verdwaald en hebben nog zeker zeshonderd kilometer te gaan naar de volgende show, maar toch staan we onder de Duitse sterrenhemel toe te kijken hoe The Hilk, onze zanger, met een soepele pirouette om zijn as draait en daarna schijnbaar moeiteloos achterwaarts over de straatstenen zweeft. Terwijl wij geeuwend achterover leunen tegen onze azuurblauwe Renault Trafic staat hij te swingen, moonwalkend bij maanlicht.

Normaal gesproken zouden we nu kromliggen – ook al hebben we die belachelijke danspasjes al duizend keer gezien. Maar nu even niet. Want niemand lacht, en de twee Polizisten al helemaal niet. „Mitkommen”, blaffen ze boos.

Zou dit zo’n moment zijn? Is dit een herinnering uit die blur van oneindig langsflitsend asfalt die gaat overleven? Klimmen we dáárom telkens weer met gevaar voor eigen leven (daarover later meer) aan boord van ons achtstehands en gedeukte busje (koosnaam: Odolf de Verschrikkelijke) om vele uren en nog veel meer kilometers ritueel benzine en rubber te verbranden? Is dit zo’n onmiskenbaar hoogtepunt waarvan je pas later snapt: híér deden we het dus voor?

Nee. Dit is niet zo’n moment.

Behalve misschien voor Dave Grohl. In zijn documentaire What Drives Us, sinds vorige maand te zien op Amazon Prime, brengt de opper-Foo-Fighter een ronkende lofzang op De Bandbus. Die gammele en stinkende koektrommel op wielen is wat hem betreft de moederschoot van de rock-’n-roll, het ultieme pa-ra-dijs waar alle supersterren eeuwig naar terugverlangen.

Dat laat Grohl in zijn documentaire zoveel mogelijk rockgoden nazeggen. Ringo Starr haalt geurige herinneringen op aan alle scheten aan boord van het Beatles-busje („Je moet ze claimen”, zweert hij met plechtig opgestoken hand). Flea (Red Hot Chili Peppers), Slash (Guns ’n Roses), Lars Ulrich (Metallica), Steven Tyler (Aerosmith) en The Edge (U2): allemaal zeggen ze hetzelfde. In de bus gebeurt het. Dáár smeed je met strijdmakkers een band voor het leven. De trips in die roestige tijdcapsule zijn „de hemel op aarde”.

Tja, denk je dan. Lekker makkelijk.

Want inmiddels zijn ze stuk voor stuk stinkend rijk, vliegen ze rond in privéjets en leggen ze alleen nog de laatste (kilo)meters richting het podium rijdend af – bij voorkeur in afzonderlijke limousines zodat ze elkaar niet kunnen aanvliegen. Onbetwist dieptepunt is het fragment waarin No Doubt-bassist Tony Kadal trots verkondigt hoe blij hij was toen alle bandleden hun eigen privé-interliner kregen: dan hoefden ze elkaar onderweg tenminste niet meer te zien…

Kortom: wie tussen de regels door luistert en al het nostalgisch gezwijmel even negeert, hoort toch vooral: geld maakt wél gelukkig, sukkels!

Dat heeft natuurlijk niks met rock-’n-roll te maken. Daarom is het hoog tijd dat de sukkels opstaan en uitleggen waarom zij zich in die blikken cocon blijven wurmen. Laat ik mijzelf opofferen en namens alle krabbelaars in de marge proberen te verklaren waarom juist wij vrijwillig al die kilometers vreten om vervolgens de schamele gages te zien wegspoelen in de draaikolk van onze benzinetank. Want waarom zou je telkens op zo’n uitputtende survivaltocht gaan als het zo weinig oplevert?

Wij zijn het cadeautje dat ze tijdens hun doodsaaie nachtdienst mogen uitpakken en waarvan het Nederlandse kenteken 03-BF-GN maar één ding kan betekenen: DR-UG-666.

Undergroundkenner Eric Davidson (zelf een zwoeger in de onderschatte punkband New Bomb Turks) schrijft daar verstandige dingen over in We Never Learn, zijn geschiedenisboek over de punk- en garagerock van de afgelopen decennia. „We liked our three-chord crap real fast, just wanted to play rock-’n-roll and get the crowd wrapped up with us like fingers balling into a fist raised against the wall of approaching adulthood drab.”

Inderdaad: eigen én andermans oren uitblazen met een opgeheven vuist en een handvol akkoorden houdt het saaie (en enge) grotemensenbestaan enigszins op afstand. Maar wie op het podium gas wil geven, moet dat ook op de weg doen. En dus trekt ook onze compleet obscure punkrockband (waarvan ik de naam niet zal noemen om belangenverstrengeling te voorkomen) al twintig jaar langs een ondergronds circuit van schimmige zaaltjes, verlaten kerken, jeugdsozen en kraakpanden. We spelen voor bier, benzine, wat eten en een slaapplek, maken elke dag nieuwe vrienden en lachen ons kapot.

Maar nu even niet dus.

Want als we een willekeurig Scheißloch in Beieren binnenrollen, rijden we recht in de armen van twee duimendraaiende dienders. Wij zijn het cadeautje dat ze tijdens hun doodsaaie nachtdienst mogen uitpakken en waarvan het Nederlandse kenteken 03-BF-GN maar één ding kan betekenen: DR-UG-666. Meteen worden we – zoals zo vaak – aan de kant gezet.

Aufmachen! En blazen, bitte!

On the road in de bandbus Odolf, ergens in Nederland. Foto Frank Provoost

Kaarsrechte moonwalk

Gelukkig: er zit geen hasj in onze versterkers en The Hilk drinkt geen druppel. Die dagen zijn voorbij, met dank aan een Zeeuws-Vlaamse rehab. Jammer genoeg hebben ze hem daar niet kunnen genezen van zijn chronische hyperactiviteit. Die aangeboren ADHD maakt hem supergeschikt als zanger… én superverdacht voor achterdochtige Duitse gezagsdragers.

Na de negatieve blaastest moet hij daarom alsnog voetje voor voetje over een stoeprand lopen om zijn nuchterheid te bewijzen. Daar bezegelt hij ons lot met zijn moonwalk – in een kaarsrechte lijn, dat dan weer wel.

Vele uren en een bloedtest later rijdt de bandbus van het politiebureau naar de dichtstbijzijnde pinautomaat. De boete voor achtergebleven wiet-resten kan alleen contant worden voldaan. Het wordt al licht als we de 850 euro aftikken – twee keer het bedrag dat we met onze volgende (en tot dusver bestbetaalde) show gaan verdienen; 100 euro meer dan Odolf überhaupt heeft gekost.

„Fucking city is run by pigs”, schreeuwde Henry Rollins van de legendarische punkband Black Flag (1976-1986) in de woedende tirade ‘Police Story’. Hij sprak uit ervaring: zoals zoveel Californische collega’s werd hij regelmatig neergemaaid door een overmacht aan politieknuppels. Behalve in de muziek deed Rollins er uitgebreid verslag van in De Ultieme Bandbus-Bijbel Get in the Van. Zijn conclusie: „We’re fighting a war we can’t win.”

Als vrijwillige opsluiting in een busje al geldt als een magisch bindmiddel, dan dienen de vele penibele ogenblikken samen schuilend achter een vangrail helemaal als sociale snelkookpan.

Bij ons mag die strijd dan minder heroïsch verlopen, maar Henry had wel gelijk in zijn boek. We verliezen voortdurend. Naast pesterijen van de politie is de lijst aan ontberingen en technische gebreken langer dan deze krant kan vullen: leeglopende accu’s, verbrijzelde achteruitkijkspiegels, kapotte ventilatoren, oververhitte motoren die fonteinen van roestwater spuiten, vastlopende achterassen (en daardoor roodgloeiende wielen), afbrekende onderdelen, lekkende daken (aanvankelijk ‘gerepareerd’ door een vriend die er – geen grap – popnagels in schoot, en uiteindelijk dichtgeplakt met het wondermiddel waarmee alle bandbussen van ellende aan elkaar hangen: duct tape).

Samen in de regen

Een APK-keuring was niet bij de prijs van 750 euro inbegrepen, zei de Marktplaats-verkoper bij wie we Odolf (1987) hadden gespot. Maar als wij geduld hadden, wilde hij best de versleten banden verwisselen, zodat een bevriende sleutelaar de bus gratis kon goedkeuren. Als we daarna weer even wilden wachten, zette hij de oude banden gewoon weer terug. Want wij zagen toch ook wel dat die nog prima in orde waren?

Het leek ons een topdeal, en dat heeft de Wegenwacht geweten. De mix van overmoedige roekeloosheid en onze Zeeuwse zuinigheid was misschien niet per se verstandig, maar afgezien van een slowmotion-crash met een benzinepomp hebben we nóóit (knock knock) een ongeluk gehad. Wél talloze uren oponthoud, maar pech verbroedert, en méér dan verveling. Als vrijwillige opsluiting in een busje al geldt als een magisch bindmiddel, dan dienen de vele penibele ogenblikken samen schuilend achter een vangrail helemaal als sociale snelkookpan.

Samen in de stromende regen midden op een invoegstrook bij Rostock een klapband verwisselen terwijl vrachtwagens langsrazen én de verroeste krik in tweeën breekt, of downhill slingerend door haarspeldbochten in de Italiaanse Alpen ontploffingen horen die afkomstig blijken te zijn uit een afgebroken uitlaat (en de overgebleven brokstukken weer met bassnaren aan elkaar knopen) – het zijn stresstesten waarvan commando’s, groepstherapeuten en bindingscoaches enkel kunnen dromen.

On the road in de bandbus Odolf, ergens in Oostenrijk. Foto Frank Provoost

Eigenlijk zou je al die oude mannen uit What Drives Us zo’n gehavend wrak als Odolf gunnen. Stel dat Lars Ulrich en James Hetfield van Metallica net als wij op een vroege zondagmorgen in Riva del Garda met De Moeder Aller Katers en bonkende koppijn op zoek moesten naar die ladderzatte Italiaan van wie de barman een paar uur eerder nog zei dat hij de enige klusjesman in de wijde omtrek was die onze knalpijp weer kon vastlassen, en die geen woord Engels spreekt en uitsluitend ‘MERDA!’ schreeuwt, maar toch de klus weet te klaren – zou Metallica dan nog steeds voor een klein fortuin een psycholoog moeten inhuren om hun verziekte verhoudingen te repareren?

En als je na zo’n helletocht net op tijd het volgende optreden in Turijn haalt, zou je dan net als Flea alleen willen spelen als er backstage „een donker geverfde meditatiekamer (niet blauw) met therapeutische geurkaarsen” aanwezig is (ja echt, dat staat in de Chili Peppers-rider met eisen, net als: „zes paar witte sokken en een schone onderbroek”)? Of ben je dan gewoon dankbaar dat je het toch weer hebt gered en even stoom, zweet en decibellen kan afblazen?

Nee, onze band zal nooit doorbreken. „We’re fighting a war we can’t win.” Maar misschien is dat juist de bedoeling en willen we helemaal niet winnen. Misschien zijn we wel te gehecht aan onze kleine oorlog, en wensen we die zoveel mogelijk anderen toe.