Opinie

Eeuwig verdrietig in de Cliffordstraat

Column Amsterdam

Auke Kok

Het valt niet mee er naartoe te lopen. De stenen te zien, waarop ze vielen. Toch maar doen. Even respect tonen, meeleven met de rouwenden, de nabestaanden.

Een bloemenzee bij het fietsenrek. Twee vrouwen en een man staan er naar te kijken, dertigers, hun bleke gezichten bijna uitdrukkingsloos van verdriet. Roerloos als een standbeeld in de Cliffordstraat, hoek Groen van Prinstererstraat. De hoek die sinds vrijdag 11 juni nooit meer hetzelfde zal zijn.

Een wat oudere vrouw komt aanfietsen, stapt af, houdt haar fietshelm op. Ook houdt ze haar stuur in haar handen, alsof ze zeggen wil: let niet op mij, ben zo weer weg. De oudere vrouw bekijkt de rode en witte rozen, de lelies, de chrysanten, de zonnebloemen waarvan het doorschijnend plastic wappert in de lentebries.

Je ziet de vragen in de vrouw met de fiets opborrelen. Ze verzamelt moed en vraagt dan met een buiging naar het stille drietal: „Kende u ze?”

De dertigers knikken. Dat doen ze afhoudend, met de lippen op elkaar, hun blikken meteen weer op de bloemen gericht; op de plek waar de jongen en het meisje die vrijdagmiddag neerkwamen.

Net voor het havo-examen geslaagd en daarna door het noodlot getroffen

„Wat verschrikkelijk, hè?”, gaat de vrouw verder. „Gecondoleerd.”

Het laatste woord maakt dat de dertigers, gehuld in sportkleren, verplicht zijn de oudere vrouw weer aan te kijken. Hun innerlijke beschaving eist dat van ze. Een nauwelijks hoorbaar „dank u” vlindert door de Cliffordstraat.

Snel weer naar de bloemen kijken. Aan de twee tieners denken die op dat vreselijke uur van de wereld verdwenen. Net voor het havo-examen geslaagd en daarna door het noodlot getroffen.

Het was die vrijdag om vijf uur in de middag prachtig weer, net als nu. Het EK-voetbal stond op punt van beginnen. Rood-wit-blauw aan de balkons, oranje vaantjes aan de lantaarnpalen. Het feest gaat door op enkele meters van de diepste duisternis.

Mensen zijn zwak, ze willen de toedracht weten. Achtergronden. Namen. Zo ook de oudere vrouw. Ze helt weer naar het drietal over, vriendelijk, smekend haast: „Ik weet niet wat er is gebeurd.”

De dertigers op hun sportschoenen geven geen krimp. Een van de twee vrouwen slaat haar arm om de man z’n middel. Een gesloten front.

Uit de open ramen komen geluiden van servies, van lepels en pannen en spelende kinderen. Het leven in Amsterdam-West gaat door, behalve dan op de hoek Cliffordstraat-Groen van Prinstererstraat. Vier etages onder een schuin leiendak, keurig gerenoveerd, zoals alle woonblokken in de Staatsliedenbuurt.

Keurig, maar schuldig. Vooral dat dakterras.

Een kleine man komt aangelopen. Hij doet meteen wat de vrouw misschien al lang had willen doen, maar niet durfde vanwege het rouwende drietal. Hij kijkt omhoog. De val, de zwaartekracht, de klap. Het eeuwig verdriet.

De twee zeventienjarigen zijn niet gesprongen, maakten de nabestaanden bekend, en ze hadden geen drugs gebruikt. Een fataal ongeluk was het.

Meer hoeven we eigenlijk niet te weten. Alleen maar naar de bloemen kijken is voldoende. Zwijgen, een arm om je naaste slaan.

Auke Kok is schrijver en journalist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.