Waarom geloven anderen wel in God en ik niet?

Geloven Dichter leidt al meer dan een halve eeuw een goddeloos leven. Een groot deel van die tijd vraagt hij zich echter af: waarom geloven anderen wel en ik niet?

Foto Getty Images

We stonden in de Domkerk, de rondleidster en ik. Een christelijke jonge vrouw en een ongelovige dichter, samen voor een reliëf met een ontluisterde beeldengroep: de hoofden werden er in 1580 afgehakt tijdens de tweede beeldenstorm in Utrecht.

De rondleidster wist er alles van, en niet alleen omdat het haar werk was. Ook zonder de gezichten kon ze aanwijzen wie wie was: Maria, haar moeder Anna, het kindje Jezus en Sint Maarten. „Zie je wie dit is?”, vroeg ze, en ze wees naar het beeld dat het hoogste hing en dat het minst was aangetast, alsof iemand er lusteloos een bijl tegenaan had gegooid en toen verder was gegaan met het vernielen van de rest van het interieur.

Waarom is uitgerekend het gezicht van God half gespaard, vroegen we ons af.

Ik zag vooral praktische verklaringen. God hangt best hoog. De mensen waren gemiddeld een stuk kleiner. Misschien was alles waar je op zou kunnen staan net kort en klein geslagen. Of wellicht was God, in tegenstelling tot al die heiligen, geen mens en hoefde hij daarom minder nodig kapot.

De rondleidster kwam met een hypothese die ik nooit had kunnen bedenken: „Misschien ging die iconoclast ’s avonds ook gewoon eten bij zijn moeder, en als ze dan zou vragen: ‘Wat heb je vandaag gedaan?’, vond hij het misschien toch te ver gaan om te moeten zeggen: ‘Ik heb Gods gezicht van de muur gebikt.’”

Het is een paar maanden geleden dat ik voor dat reliëf stond. Het idee dat je vanuit ideologische drift wel een halve kerk kunt strippen, maar in het aangezicht van God denkt: dat is me toch een brug te ver, vond ik fascinerend. Dan bekijk je God dus vrij aards en persoonlijk, als iemand die je niet wilt kwetsen door een afbeelding van hem volledig kapot te maken – al doe je dat wel half.

Sindsdien ben ik weer bezig met een vraag die me al heel lang bezighoudt: waarom geloven sommige mensen in een god en ik niet? Wat is het verschil tussen mij en een gelovige?

Wie is dat nou weer?

Jump cut naar 45 jaar geleden. Ik zit op de dorpel van ons huis in Tuindorp, Utrecht, een jongetje van een jaar of vijf, zes. Ik kijk omhoog en opeens weet ik zeker dat God in en om mij is, vooral in de zon op mijn gezicht, de prachtige rozentuin die mijn vader op onkruid, ongedierte en blackspot (sterroetdauw) heeft veroverd en de bomen langs het Zwarte Water. Het is een herinnering die ergens los in mijn hoofd hangt, gewoon een zorgeloos jongetje dat zich met alles verbonden voelt.

Een gelukkige jeugd zit vol met dat soort momenten, als het goed is. Gelovig ben ik er niet van geworden. Wel nostalgisch, want ik zou best weer dat jongetje willen zijn. Hij had minder aan zijn hoofd dan ik, en zeker niets waar hij droevig van werd.

Ik wil best geloven, maar ik kan het niet meer. Het is verdwenen in mijn hersenen, net zoals het verstaan van dieren en een ondoordringbaar ei voor mezelf toveren tegen het beest onder mijn bed. Er liggen trouwens ook al decennia geen beesten meer onder mijn bed, als we de huismijt buiten beschouwing laten. Mijn volwassen ik heeft het paradijs al lang geleden verlaten, en nu heb ik net zoveel aanleg voor God als een lamme voor de marathon of een blinde voor het besturen van straaljagers.

God spot

Waarom gelooft de één wel en de ander niet? Het eerste antwoord: je krijgt het aangeboden in je jeugd of niet, het is een kwestie van cultuur. Volgens cabaretier Ronald Goedemondt zit het allemaal tussen de oren: „Religie is niet gebaseerd op feiten. Anders waren er wel meer Mariaverschijningen in moslimlanden. En die zijn er niet! Of ze zijn er wel, maar ze staan daar bekend als ‘Huh? Wie is dat nou weer?’-verschijningen.” (uit: De R van Ronald).

Een tweede, nog praktischer antwoord: het zit in de hersenen. In 2009 kwam een onderzoek in het nieuws waaruit bleek dat er bepaalde delen in de hersenen konden worden aangewezen waar het geloof in zat. Daarbij bleek dat atheïsten die hersendelen gebruiken voor het nadenken over morele kwesties. Het verschil is dat gelovigen diezelfde hersendelen ook gebruiken voor het nadenken over God. In andere woorden: God valt onder ons morele denken, maar niet omgekeerd (ongelovigen zijn immers niet allemaal psychopaten).

„Daarmee heeft religie geen eigen ‘God spot’, maar maakt het deel uit van een reeks geloofsystemen in de hersenen die we elke dag gebruiken”, verklaarde de Amerikaanse neuropsycholoog en professor Jordan Grafman, die zelf trouwens gelovig schijnt te zijn.

Foto’s Getty Images

Ralph

Een behoorlijk goed bewijs dat een almachtige God niet bestaat, is dat ik andere mensen nodig heb om het probleem te doorgronden. Dat vind ik tenminste, maar een gelovig iemand zou kunnen tegenwerpen dat de almacht van God zich er juist in toont dat die mensen er zijn. Ik kom er niet uit en bel mijn goede vriend Ralph Meulenbroeks, een uitstekend natuurkundige en fenomenaal gambist – wij hebben veel samen opgetreden als duo. Ik weet dat hij gelovig is, maar we hebben het er nooit echt over gehad.

„Ralph”, vraag ik, „Waarom geloof jij wel in God en ik niet?”

Ralph denkt geen moment na en zegt: „Ik stel mij op hetzelfde standpunt als de filosoof – zijn naam is me even ontschoten – die zei dat niemand kan bewijzen dat God bestaat. Maar dat God niet bestaat, kan eveneens door niemand worden bewezen. Dus komt geloven neer op een beslissing, een keuze die je kan maken, al dan niet in je voordeel.”

„Oké”, zeg ik, „Dat is een goede manier om de zinloze discussie over het al dan niet bestaan van God te vermijden. Maar wat is het voordeel van kiezen voor God?”

„Het voordeel”, zegt Ralph, „is dat je er met God niet alleen voor staat. Wat je ook voor ellende tegenkomt, je hoeft er niet alleen mee om te gaan. Ik hou de mogelijkheid open dat geloven gewoon een evolutionair voordeel is, dat God niet meer is dan een idee – maar voor mij is het wel een goed idee.”

„Mijn probleem is: zelfs als ik ervoor zou willen kiezen, kán ik het niet. Ik heb de bekabeling er niet voor. Zou dat in de genen zitten?”

„Misschien. Het kan ook zijn dat die bekabeling in je jeugd aangelegd moet worden, zoals bij mij is gebeurd. In mijn jeugd is me trouwens ook van alles bijgebracht dat ik straal genegeerd heb, dus kennelijk had ik daar ook een keuze in.”

Michiel en Lineke

Onze vrienden Lineke en Michiel komen bij ons eten – in de tuin, met voor de veiligheid anderhalve meter kaasplank en een hoop glazen wijn en cider tussen ons in. We zijn al een paar glazen verder als ik me herinner dan Michiel een van de meest stellige atheïsten is die ik ken. Lineke is het met hem eens, maar ziet een kerk als een sociaal gebeuren waar mensen iets uit kunnen halen – zoals je ook lid van een tafeltennisvereniging zou kunnen zijn. Ik besluit te vertellen dat ik met dit artikel bezig ben, en vraag of ze bereid zijn het atheïstische standpunt toe te lichten. Ik geloof ook niet in God, maar dat maakt me niet tot een atheïst. Ik zou het namelijk best willen, en op dat verlangen zul je een atheïst niet betrappen.

Michiel zegt: „Vroeger was ik er een stuk feller op dan tegenwoordig, vooral omdat ik kerken zulke verwerpelijke instituten vond, en omdat ik een hekel heb aan het schuldgevoel dat er zo vaak bij hoort. Maar nu ik wat ouder ben, zie ik ook wat vooral oudere mensen eraan kunnen hebben. Ik denk er voor mezelf niet anders over dan vroeger, maar als mensen ergens in moeten geloven om het bestaan door te komen… Iedereen gelooft toch van alles dat je niet zomaar kunt bewijzen. Zolang we het elkaar maar niet opdringen, zou ik zeggen.”

Enfin

Ben ik onderweg naar een geloof? Ik denk het niet. Maar een zekere spirituele vonk is er wel, dat kind van vijf op de dorpel in de zon, tussen de bloemen in de tuin van zijn ouders. De meeste mensen hebben een bepaald gevoel voor het hogere in de natuur. Ik hou van de man die zei dat als je kijkt naar de natuur en je even verbonden voelt met alles wat leeft, je eigenlijk kijkt naar God die zich net heeft verstopt – maar verder kom ik niet.

God is een kinderziekte waar ik overheen ben gegroeid. Hij woont in mijn hoofd bij de andere verhalen die ik niet hoef te geloven om ervan te houden – want in verhalen, gedichten, taal en fantasie geloof ik wel. Misschien vind ik het soms jammer om geen kind meer te zijn, maar iedereen valt op den duur uit de hemel, en mijn weemoed is niet genoeg om in iets anders te gaan geloven dan in mezelf – en in de mensen van wie ik hou. Meer hoef ik er niet van te maken.