Agressief of juist tam gefokt: vossenbrein groeit eender

Neurowetenschap In Rusland loopt al decennia een fokexperiment waarbij vossen consequent op één eigenschap worden geselecteerd.

Een vos uit het Russische experiment.
Een vos uit het Russische experiment. Foto Jennifer Johnson, Darya Shepeleva, Anna Kukekova

Vossen die al generaties lang op tamheid zijn gefokt, vertonen dezelfde breinveranderingen als vossen die al generaties lang op agressief gedrag gefokt zijn. Bij beide blijkt de grijze massa (de zenuwcellen) in de prefrontale cortex, de amygdala, de hippocampus, het cerebellum en ook andere breingebieden gróter dan bij een standaard-vos die niet op het ene of andere kenmerk gefokt werd.

De vossen zijn afkomstig van de inmiddels befaamde fokkerij van de Russische Academie van Wetenschappen in Novosibirsk. Daar begonnen de biologen Dmitri Beljajev en Ljoedmila Troet in 1959 een experiment dat nog altijd bestaat en geldt als de beste simulatie van wat er gebeurt bij consequente selectie op tamheid, zoals ook in de prehistorie bij talloze huisdieren gebeurd moet zijn. Het MRI-onderzoek naar de hersenen van telkens tien vossen van de tamme, agressieve en ‘gewone’ stammen uit Novosibirsk is deze week gepubliceerd in het tijdschrift JNeurosci onder leiding van Erin Hecht (Harvard University), met Ljoedmila Troet (87) als een van de mede-auteurs.

Bij sociale toegankelijkheid én bij sociale vermijding zijn dezelfde hersengebieden betrokken

De basis van het nu al honderden generaties lopende experiment was het besluit om apart verder te fokken met vossen die het minst agressief reageren als een mens zijn hand in de kooi stak. De tammevossenlijn werd beroemd omdat ze steeds meer op honden gingen lijken, met aanhankelijk gedrag, gevlekte vacht, kwispelen en zelfs slappe oren. In de jaren zeventig werd er een foklijn aan toegevoegd van agressieve vossen.

Dat nu bij de twee doorgefokte stammen het brein gróter werd is verrassend, omdat doorgaans bij domesticatie van dieren het brein juist kleiner wordt, ook ten opzichte van het lichaam dat daarbij ook meestal kleiner wordt. Waarom dus nu het effect van intensief fokken op één gedragskenmerk (tamheid of juist agressie) juist leidt tot een gróter brein kunnen de onderzoekers niet goed verklaren.

Minimaal menselijk contact

Wel schrijven ze voorzichtig: „Het is mogelijk dat snelle evolutie van gedrag – zeker in het begin – vaak samengaat met toename van de grijze massa.” Ook kunnen bepaalde hersengebieden, zoals in de frontale cortex, zijn toegenomen omdat ze te maken hebben met het beoordelen van en beslissen in complexe situaties, aldus de onderzoekers. Bij sociale toegankelijkheid én bij sociale vermijding zijn dezelfde hersengebieden betrokken. Het leven dat de tamme, agressieve en ‘gewone’ vossen op de fokkerij in Novosibirsk leiden, is overigens nauwelijks verschillend, allen met minimaal menselijk contact.

De moeilijk te interpreteren uitkomst van het JNeurosc-onderzoek van deze week lijkt ook in strijd met een onderzoek onder leiding van een andere Harvard-bioloog, Daniel Lieberman, dat eerder dit jaar gepubliceerd werd in Scientific Reports. Daarin beschrijven de biologen hoe ze 53 vossenschedels van de tamme en ‘gewone’ stammen uit Novosibirsk en twintig schedels van een Canadese wildevossenpopulatie met elkaar vergeleken. Zij vonden juist géén verschil in herseninhoud tussen de twee Novosibirsk-stammen maar wel was duidelijk dat beide stammen kleinere hersenen hadden dan de wilde populatie.

Canadese fokkerijen

De gebruikte wilde populatie, met wildevossenschedels die eind negentiende eeuw in Oost-Canada verzameld zijn, is bijzonder toepasselijk omdat zo’n tien jaar geleden duidelijk werd dat de vossen die in de jaren vijftig voor het experiment verzameld werden op andere Russische vossenfarms afstammelingen waren van vossen die begin van de twintigste eeuw naar Rusland geëxporteerd waren door fokkerijen op het Canadase Prince Edward-eiland. In 2019 bleek zelfs dat de vossen op die Canadese fokkerijen al bijzonder tam waren en dus eigenlijk al waren ‘vóórgedomesticeerd’. De JNeurosc-onderzoekers tekenen bij dit onderzoek aan dat in dit schedelonderzoek niet het mogelijke verschil in lichaamsgrootte tussen de verschillende vossenstammen is meegenomen, maar ze vermoeden niet dat dit veel zal hebben uitgemaakt. In hun eigen onderzoek hebben ze trouwens ook niet naar de verhouding met de lichaamsgrootte gekeken.