Recensie

Recensie Film

‘Judas and the Black Messiah’: bedachtzaam portret van een radicale leider

Biopic ‘Judas and the Black Messiah’ is een soms eenzijdig, maar overtuigend portret van in een de knop gebroken zwarte leider.

Fred Hampton (Daniel Kaluuya, midden) was een van de talenten van de Black Panthers, in ‘Judas and the Black Messiah’.
Fred Hampton (Daniel Kaluuya, midden) was een van de talenten van de Black Panthers, in ‘Judas and the Black Messiah’. Foto Warner Bros

Fred Hampton was een van de grote talenten van de radicale zwarte actiegroep Black Panthers in Chicago – een begaafd spreker en organisator die voorbestemd leek voor grote dingen. Maar voordat Hampton echt landelijk kon doorbreken werd hij in december 1969 op 21-jarige leeftijd slachtoffer van een politieactie die het beste kan worden omschreven als een executie.

De film blijft zo dicht bij de feiten als redelijkerwijs verwacht mag worden van een speelfilm. Regisseur Shaka King heeft wel scherpe keuzes gemaakt in wélke aspecten van Hamptons korte leven hij wil belichten. Van het radicale gedachtegoed krijgt de kijker niet zo vreselijk veel mee. Hampton – in de film voortreffelijk gespeeld door de Britse acteur Daniel Kaluuya – was een revolutionaire marxist, die geloofde in de gewapende strijd van een voorhoedepartij.

De zwaarbewapende Panthers leefden op voet van oorlog met de politie onder het motto: „De enige goede smeris een dode smeris.” Over en weer vielen doden. De FBI en andere Amerikaanse autoriteiten reageerden met gevaarlijke paranoia op de militante acties van de Panthers. Maar hun paranoia was niet volledig het product van hun verbeelding, al wekt Judas and the Black Messiah wel die indruk.

De film moffelt dat radicalisme grotendeels weg. Vanuit de huidige tijd bezien gaat – gelukkig maar – meer inspiratie uit van andere zaken, zoals het vermogen van Hampton om achtergestelde groepen van verschillende afkomst in Chicago te verenigen in een ‘regenboog-coalitie’. Daartoe behoorde zelfs een groep achtergestelde whiteys, die bij hun bijeenkomsten met de zuidelijke vlag zwaaiden. De Panthers krijgen tegenwoordig meer lof voor hun zelf opgezette programma’s om zwarte kinderen uit arme gezinnen te voeden dan voor hun geloof in de reinigende kracht van revolutionair geweld.

Daniel Kaluuya brak door met zijn rol in Get Out. Hij is een altijd boeiende acteur, omdat de kijker hem steeds kan zien denken. Zijn personages doen nooit zomaar iets – Kaluuya laat altijd veel zien van zijn worstelingen en twijfels. Hij kan als weinig andere acteurs verlegen en introverte scènes spelen. Maar tegelijkertijd heeft hij genoeg kracht om een overtuigende en vurige spreker te zijn, als de orator Hampton in beeld moet komen.

Kaluuya speelt in de film inderdaad een beetje een ‘zwarte Messias’; een man zonder noemenswaardige gebreken of tekortkomingen. Dat de film toch niet volledig vervalt in persoonsverheerlijking is vooral te danken aan zijn genuanceerde spel. Wat ook helpt: Hampton komt niet alleen in beeld als de gedreven beroepsrevolutionair die 24 uur per dag in touw is voor ‘the people’. De film neemt ook tijd voor zijn tedere verhouding met mede-Panther Deborah Johnson (Dominique Fishback), die een kind van hem verwacht.

Communistenvreter

Zelfs de schurk in het verhaal – FBI-informant Bill O’Neal – krijgt een genuanceerde behandeling. LaKeith Stanfield zet hem neer als een schelm: O’Neal is een krabbelcrimineel, die de ideologische en politieke strijd waarin hij verstrikt is geraakt nauwelijks kan overzien. Eigenlijk is O’Neal evengoed een slachtoffer van de machinaties van de FBI van communistenvreter J. Edgar Hoover als de Black Panthers zelf.

Zo blijft alleen de FBI over als het ultieme kwaad. Hoover had de Panthers tot de grootste binnenlandse bedreiging in de VS uitgeroepen en wilde voorkomen dat een nieuwe ‘zwarte messias’ zou opstaan. Werkelijk alles wat er misgaat met de Panthers is in de film de schuld van de FBI en alléén de schuld van de FBI. Zulk simplisme is een smet op een verder genuanceerde, bedachtzame en belangrijke film.