Generaal Martin Wijnen (links), commandant van de Landstrijdkrachten, en zijn Duitse evenknie Alfons Mais op de Kromhoutkazerne in Utrecht. Zij aan zij, met inachtneming van de coronaregels.

Foto Lars van den Brink

Interview

‘Grotere broer Duitsland maakt Nederland militair relevanter’

Alfons Mais en Martin Wijnen | Duitse en Nederlandse generaal Volgens de Nederlandse generaal Martin Wijnen en zijn Duitse evenknie Alfons Mais is de zeer vergaande integratie van hun landmachten geen opmaat naar een Europees leger. Want tussen militairen moet het cultureel wel echt boteren.

Hij is „een beetje jaloers” op zijn Nederlandse evenknie, zegt luitenant-generaal Alfons Mais, commandant van de Duitse landmacht. Want de Nederlanders hebben iets dat de Duitsers wat minder hebben: branie. „In het Duitse leger vinden we processen heel belangrijk. Alles is georganiseerd. We gaan wel vooruit, maar vermijden liever risico’s. Terwijl het Nederlandse leger dingen durft waarvan de uitkomst onzeker is.”

In de grote, knerpende leren fauteuil naast die van generaal Mais hoort generaal Martin Wijnen, de baas van de Nederlandse landmacht, die woorden tevreden aan. Met geen enkel ander land heeft Nederland zulke vergaande militaire samenwerking als met Duitsland, met binnenkort een nieuwe mijlpaal: vanaf juli krijgt het Duits-Nederlandse 414-tankbataljon de leiding over de NAVO-missie in Litouwen. De vuurdoop voor deze jonge, volledig bi-nationale eenheid. De generaals, die zich nooit eerder samen lieten interviewen, spreken van een „historisch” moment.

Een samenwerking tussen ongelijken? Generaal Wijnen doet daar niet moeilijk over. Tijdens het gesprek in zijn kantoor noemt hij Duitsland „de grotere broer”. In het 414-bataljon is ongeveer een kwart van de 450 militairen Nederlands. De tanks die Nederland in het bataljon gebruikt worden geleased van Duitsland; de eigen tanks gingen tien jaar geleden in de verkoop tijdens een bezuinigingsgolf. Kortom: de verhoudingen zijn duidelijk.

Toch heeft Nederland Duitsland ook echt wel wat te bieden. ’s Ochtends is Wijnens Duitse collega rondgeleid op de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne in ’t Harde, waar de informatie-analisten van de Nederlandse landmacht zitten. Behalve aan fysieke slagkracht is er in dit tijdperk van ‘hybride conflicten’ ook steeds meer behoefte aan militairen die zich raad weten met ‘informatie-oorlogsvoering’. Nederland zet hier zwaar op in. Vorig jaar werd de informatietak formeel toegevoegd aan de landmacht, naast klassieke ‘wapens’ als infanterie en artillerie.

Lees ook: Hoe defensie de eigen bevolking in de gaten houdt

Vorig jaar ontstond ophef over het Land Information Manoeuvre Centre (LIMC), een experimentele afdeling op de kazerne die moest helpen in de strijd tegen het coronavirus, onder meer met voorspellende analyses van zorgcapaciteit en maatschappelijke sentimenten. De operatie werd stilgelegd, nadat NRC schreef dat defensie geen mandaat had voor zo’n civiele missie.

De Duitse generaal Mais begrijpt die gevoeligheden. In zijn land liggen zulke activiteiten wettelijk nog veel moeilijker. „Maar tegelijk kunnen we niet negeren dat er iets gaande is in het informatiedomein.”

Dat het Nederlandse leger met vallen en opstaan – en ja, met branie – probeert hier grip op te grijpen, vindt Mais geweldig. „Ik ben onder de indruk van wat ik in ’t Harde heb gezien en ik neem het mee terug naar het debat in mijn eigen land.”

Wijnen en Mais hebben dezer dagen veel te bespreken. De Amerikaanse president Joe Biden bezoekt Europa. Dinsdag en woensdag komen alle Europese landmachtcommandanten bijeen in Wiesbaden (Duitsland). En in deze tijd, waarin veel gepraat wordt over intensivering van de Europese defensiesamenwerking, is iedereen benieuwd naar de vorderingen van de Duits-Nederlandse integratie. Want werkt dat wel: Duitsers die bevelen opvolgen van Nederlanders – en andersom?

Wie is er de baas in het 414-bataljon?

Mais: „De bataljoncommandant.”

En is dat een … ?

Wijnen: „Duitser.”

M: „Op dit moment ja. Het rouleert om de paar jaar. Maar laat ik het nog wat ingewikkelder maken: het 414-bataljon is onderdeel van een Nederlandse brigade, en die is weer onderdeel van een Duitse divisie. Een soort Matroesjka-pop!”

W: „Kijk, in het bataljon wordt niet aan politiek of nationaliteit gedaan. De Nederlanders binnen het bataljon zijn opgeleid in Duitsland, en dat moet ook wel. Bij zulke diepgaande integratie moeten mensen elkaar echt kunnen vertrouwen en dat betekent dat elk bevel, elke aanwijzing kraakhelder moet zijn. Alleen zo kun je een eenheid opbouwen die net zo goed is als een eenheid met maar één nationaliteit.”

Kunt u een voorbeeld geven van een cultuurverschil?

W: „Nou, als brigadecommandant belde ik gewoon met mijn vrienden op het ministerie van Defensie als ik iets wilde weten, bijvoorbeeld over toekomstige militaire inzet. Mijn Duitse collega’s zullen dat niet doen.”

Dat vonden ze raar?

W: „Dat ze het niet doen, betekent nog niet dat ze die informatie niet willen hebben.”

Generaal Wijnen, de Vlamingen spreken Nederlands, de Fransen hebben een sterk leger. Waarom is samenwerking met hen moeilijker dan met Duitsland?

W: „We werken met andere landen, en dus ook met Frankrijk, samen tijdens missies, zoals in Mali. Nederland is geen groot land. We krijgen zulke vergaande samenwerking als met Duitsland niet met meerdere landen tegelijk van de grond.”

Mais: „Wij hebben ook een Duits-Franse brigade. Die samenwerking draait om logistiek, niet om gevechtscapaciteit. Als ik het vergelijk, en ik begeef me nu op dun ijs: de cultuur is anders. Frankrijk is lid van de VN-Veiligheidsraad. Een nucleaire macht. Frankrijk denkt anders over het gebruik van militair geweld in het internationale beleid. We zijn, hoe zal ik het zeggen, meer terughoudend en passiever in het gebruik daarvan. De samenwerking met de Fransen is zeer waardevol, ook tegen de achtergrond van twee wereldoorlogen waarin we de grootste tegenstanders waren. Maar het is anders.”

W: „Met Duitsland is de taalbarrière gewoon veel lager.”

Dat klinkt niet alsof er snel een Europees leger gaat komen.

W: „Nee. Dat zou een wonder vereisen, en wonderen bestaan niet. Aan het einde van de dag moet je aan je eigen parlement kunnen uitleggen wat er met je eigen militairen gebeurt. Wat Nederland en Duitsland doen is met volledig behoud van soevereiniteit, ook als het om één Nederlander gaat in een Duits luchtverdedigingssysteem in Mali.”

Duitsland draagt een zwaar verleden met zich mee. Is de samenwerking met Nederland ook een manier om het vertrouwen op het internationale toneel te vergroten?

M: „Ja, dat kun je wel zo zeggen. Na de geschiedenis van de afgelopen eeuw is het onze opdracht als Duits leger om vertrouwen te kweken. Daar begonnen we mee tijdens de Koude Oorlog. Ons NAVO-lidmaatschap in 1955 betekende een terugkeer in de internationale gemeenschap. Onderdeel zijn van multilaterale organisaties zit in ons dna. En de diepe integratie met het Nederlandse leger is een volgende stap.”

Generaal Wijnen, u wilt graag stappen zetten in de ‘informatie-oorlog’ maar vorig jaar ontstond hier ophef over. Hoe nu verder?

W: „Binnen de NAVO is hybride oorlogsvoering een van de belangrijkste discussies. In internationale operaties en oorlogstijd is daar ook een duidelijk mandaat voor. De discussie in Nederland was: heb je dat mandaat ook als je die capaciteit gebruikt in Nederland bij nationale inzet, zoals de bestrijding van het coronavirus? Wat is dan het wettelijk raamwerk?”

De conclusie was: het kan niet.

W: „Nog niet. Er is al van oudsher zoiets als militaire steunverlening in het kader van het openbaar belang, bijvoorbeeld bij rampen. Daar moeten we onze informatieactiviteiten zien in te passen. Aan het hoe wordt gewerkt, maar dat is een politiek besluit.”

M: „Oorlogsvoering gaat niet langer over militaire middelen alleen. Onze eerste Duitse bataljoncommandant in Litouwen werd het doelwit van desinformatie. Er verschenen nepfoto’s van hem met zijn vrouw op het Rode Plein in Moskou. Er waren nepverhalen over Duitse militairen die zich misdragen richting Litouwse vrouwen.”

W: „Het is allemaal niet nieuw. Informatie is altijd belangrijk geweest: als je als militair in een vredesoperatie tussen twee strijdende groepen wordt geplaatst, moet je weten wat het conflict voortstuwt. Het verschil met vroeger is dat in het informatietijdperk alles heel hard gaat, dus je moet wel experimenteren, de grenzen opzoeken.”

M: „Als wat grotere partner is dat wat ik heel erg waardeer: hoe flexibel en wendbaar het Nederlandse leger is op dit vlak. Wij zijn meer risicomijdend.”

W: „En wij kunnen via onze grotere broer meedoen op niveaus, bijvoorbeeld binnen de NAVO, waar we als land alleen minder impact zouden hebben. We zijn een grote economie maar een klein land. Via coalities spelen we toch een betekenisvolle rol. Zo doen we dat in Nederland.”

Lees ook: VS en EU, partners maar wel met de eigen belangen voorop

Onder Donald Trump leken de VS de handen van Europa af te trekken. Wat is er concreet veranderd?

M: „Niet veel eigenlijk. Het was wel een vier jaar durende periode van verwarring en irritatie.”

W: „Van onrust.”

M: „We hebben de Amerikanen nog steeds heel hard nodig. Iedereen die claimt dat we dit in ons eentje kunnen, snapt het niet. Bij een majeure agressie is Europa niet in staat zichzelf te verdedigen. Tijdens de Koude Oorlog waren er 300.000 Amerikaanse militairen in Europa, nu zijn dat er 35.000. Dus we zullen wel veel meer zelf moeten doen, vooral op het gebied van de landmacht. De Amerikaanse luchtmacht kun je zo overvliegen. De Amerikaanse marine zit in de buurt. Maar wat echt lang duurt is het overbrengen van landstrijdkrachten.”

De VS willen dat EU-landen zoals afgesproken meer investeren in defensie. Maar in Nederland is jarenlang bezuinigd.

W: „Ja, en dat heeft ons ernstig geschaad. De ommekeer kwam met de Krim-annexatie en daarna met het neerhalen van de MH17. Daarvoor dronken we met Poetin nog een biertje tijdens de Olympische Spelen in Sotsji. Nu is er het besef dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Het budget groeit weer, niet hard genoeg, maar het gaat de goede kant op. Trump zei het bot: kom na waar je voor getekend hebt. Biden zegt het veel beleefder, maar hij verwacht precies hetzelfde van ons.”