Recensie

Muntopera Brussel heropent met gedurfde ‘Tosca’

Recensie De Brusselse Muntopera heropende vrijdag met een enscenering van Puccini’s ‘Tosca’ vol verwijzingen naar leven en werk van filmregisseur Pasolini. Dirigent Alain Altinoglu liet alle grijstinten tussen geweld en lust voelen.

Leven en werk van Pasolini is als extra laag toegevoegd aan de opvoering van Tosca in Brussel
Leven en werk van Pasolini is als extra laag toegevoegd aan de opvoering van Tosca in Brussel Foto Karl Foster

Europa heropent, en daarmee ook de theaters. In Brussel speelt de Koninklijke Muntopera deze maand weer voorstellingen voor een klein publiek – zonder test, met strenge restricties. Foyermedewerkers reiken met een pincet chirurgische mondkapjes uit die tijdens de voorstelling op moeten blijven, niemand zit naast elkaar. Daarbij werd Puccini’s Tosca bewerkt voor een kleinere orkestbezetting en paste ook de jonge Spaanse regisseur Rafael R. Villalobos (1987) zijn concept aan, al merk je daar niks van.

Van afstand houden kan in Tosca ook wel moeilijk sprake zijn. De plot draait om liefde (tussen Tosca en haar politiek-rebelse geliefde Mario), chantage-verleiding (door über-engerd/politiebaas Scarpia) en moord (Tosca op Scarpia, Scarpia op Mario).

Tosca is de perfecte opera, vindt regisseur Villalobos. Een iconische opera bovendien, gedragen door Puccini’s geniaal gemonteerde, filmische partituur en de tijdloze thema’s kunst, religie, (politieke) macht, liefde en lust – en de draden daartussen. En om Rome natuurlijk, stad van schoonheid, en van duisternis.

Villalobos kwam via die clues uit bij filmregisseur Pier Paolo Pasolini (1922-1975), wiens leven en werk hij als een extra laag aan zijn in streng zwart-wit gestileerde enscenering toevoegt.

Vrees vooraf voor een Tosca die in de ondervragingsscène (akte 2) als sadomasochistische martelslavin hondenvoer met spijkers moet eten, zoals in Pasolini’s legendarische film Salò o le 120 giornate di Sodoma, blijkt ongegrond.

Naakte SM-figuranten

In het strakke witte decor van Emanuele Sinisi verwijst Villalobos wel meermaals naar Salò (naakte SM-figuranten incluis), maar zijn concept blijft subtiel.

Het verstilde herderslied aan het begin van de derde akte refereert hier aan de moord op Pasolini aan het strand van Ostia: een sterke vondst. De tweede akte wordt voorafgegaan door een zwoele verleidingsscène in een loge tussen Pasolini en zijn muze/minnaar – het zomerse liedje I found my love in Portofino als soundtrack. En zo zijn er steeds verwijzingen die de verwantschappen tussen Pasolini en Tosca tastbaar en aannemelijk maken. Een handvol sleetse clichés in de vormgeving – Tosca’s witte kazuifel met een doodskop achterop; misdienaren die als homo-erotische toyboys rondbuitelen op de werkplek van schoonheidsomnivoor Cavaradossi – zijn in dat licht snel vergeven.

Wondertje

Stralend middelpunt van de voorstelling is dirigent Alain Altinoglu. Híj is het die met het orkest van de Munt de januskop van verleiding versus geweld scherpe tanden en zachte lippen geeft. Een wondertje is het, hoeveel van de muzikale slagkracht overeind blijft ondanks de verkleinde orkestratie. Soms suggereren Altinoglu’s bewegingen een muzikale breedte die je kent en mist, en die je er dan – dankzij hem – bij hoort in je eigen hoofd.

In de cast – er zijn er vanwege de lange speellijst twee – zijn Pavel Cernoch en Laurent Naouri overtuigend als Cavaradossi en Scarpia, al moest Cernoch in de eerste akte nog warmdraaien.

Maar het was Myrtò Papatanasiu (Tosca) die in haar beroemde sleutelaria Vissi d’arte de zaal beroerde tot bravo’s die de mondkapjes deden flapperen.