De doodsaaie zinloosheid van het bestaan

Ziel onder de arm Verveling kan omslaan in gepeins over de zin van het leven. Om dat tegen te gaan kun je wandelen of naar een psycholoog. Maar of dat helpt? betwijfelt het.

Illustratie Fien Rijks

Een van de beste scènes van The Sopranos is een dialoog tussen maffiabaas Tony Soprano en Dr. Melfi, zijn psychiater. Tony is woest. Hij heeft het gehad met de therapie, was zelfs van plan te stoppen, tot hij erachter kwam dat zijn zoon A.J. zelfmoord overweegt.

Waarom, vraagt Tony zich af. Hij vergelijkt A.J. met de kinderen van zijn vrienden. Die zijn gelukkig, ambitieus. „They take life as it comes”, aldus Tony. „Ik weet dat dat zo lijkt”, zegt Dr. Melfi. „Maar hoe goed ken je die kinderen nu echt?”

Tony: „I know what I see.”

Dan wordt zijn boosheid iets lichter. Er schijnt het verdriet van een vader in door. Dat hij zelf vatbaar is voor depressies, dat kan hij hebben. Met tranen: „Your kids, though.”

We zien nu allang geen maffiabaas meer. We zien een gebroken man die zijn kind wil redden – hij weet alleen niet hoe. Erger nog: hij geeft zichzelf de schuld van A.J.’s lijden. Het zit in zijn bloed, dit armzalige bestaan. Hij heeft de ziel van zijn zoon vergiftigd met zijn eigen verrotte genen.

Er valt een stilte waarin Tony zich een houding probeert te geven.

Dan neemt Dr. Melfi het woord. „Ik weet dat dit moeilijk is”, zegt ze met een zachte, liefdevolle stem. „Maar ik ben heel blij dat we dit gesprek hebben.”

Blij? Wat nou blij? Tony wil er niets van weten. De woede keert terug, maar in een andere vorm. Dit is woede die niet meer van wanhoop is te onderscheiden en die daarom eerder ontroert dan afschrikt: de pijn ligt op tafel.

„I think it fucking sucks”, eindigt Tony zijn tirade.

„What does?”

„Therapy. This. I hate this fucking shit.”

En dan komt, voor de kijker althans, de toegift.

Luister, begint Tony. „After all is said and done. After all the complaining and the crying and all the fucking bullshit.” Hij gaat op het puntje van zijn stoel zitten, spreidt eerst zijn ene arm en dan allebei, alsof hij niet alleen Dr. Melfi maar ook de lieve Heer vraagt: „Is this all there is?”

Geen antwoord.

Einde scène.

Illustratie Fien Rijks

Zoals in de meeste goede verhalen wordt ook in deze dialoog op dramatische wijze een veel minder dramatische, zelfs tikkeltje saaie waarheid onthuld. En die is als volgt. De ondraaglijkheid van psychisch leed zit hem niet zozeer in de pijn zelf. Klappen opvangen kan zelfs enige voldoening opleveren. De wanhoop begint pas echt wanneer je je afvraagt: waar doe ik het eigenlijk voor?

In filosofische zin: Tony is verveeld.

Wie de term verveling leest, denkt algauw: dit gaat niet over mij. Ik heb genoeg te doen. Misschien moet de auteur een hobby zoeken. En hoewel ik dankbaar ben voor het meedenken, is dat niet het soort verveling dat ik bedoel.

Om dit misverstand op te helderen, kunnen we terecht bij Lars Svendsen. Deze Noorse filosoof onderscheidt in zijn boek – dat de aangenaam saaie titel Filosofie van de verveling draagt – twee vormen van verveling: ‘toestandsverveling’ en existentiële verveling.

Toestandsverveling is de bekendste van de twee. Ik wil iets doen, maar weet niet wat. Iedere mogelijke activiteit komt me voor als verschrikkelijk saai. Deze vorm van verveling is tijdelijk, daarom noemt Svendsen haar een emotie. Zodra er iets onverwachts gebeurt – ik word gebeld door een vriend of ontdek ineens een serie die ik graag wil zien – is de toestandsverveling verdwenen.

Existentiële verveling is hardnekkiger. Svendsen beschouwt haar als een stemming, in plaats van een emotie. Zoals de emotie woede zich kan verdiepen tot de stemming rancune, en een huilbui tot langdurig verdriet, kan de toestandsverveling uitmonden in existentiële verveling.

Wanneer ik zeg dat Tony zich verveelt, doel ik op die zwaardere vorm. Van toestandsverveling lijkt bij hem geen sprake te zijn. Tony doet op ieder moment waar hij zin in heeft. Hij berooft en fraudeert, pleegt af en toe een moord en heeft met enige regelmaat seks met vrouwen die niet zijn echtgenote zijn.

En toch is er die leegte. Geen emotie op de voorgrond, maar een stemming die op de achtergrond altijd aanwezig is – ook al lijkt Tony dat te vergeten wanneer hij een stripper op schoot heeft. Deze plaag, dit totale gebrek aan betekenis, sijpelt door in alles wat hij doet, zegt of aanraakt en maakt de hele wereld tot een grijze, vormloze massa. Hij leeft nog steeds, hij eet met zijn familie en lacht met zijn vrienden, maar behalve misschien een soort doffe ergernis, voelt hij er niets bij.

Wie zich existentieel verveelt, sleept zichzelf voort als een zombie.

Je ligt met je mobiel op de bank te scrollen door net niet interessante artikelen, en voor je het weet, bekruipt je de zinloosheid van het bestaan

Het is waarschijnlijk overbodig te zeggen dat je geen maffiabaas hoeft te zijn om deze vorm van verveling te herkennen. Voor iedereen ligt ze altijd op de loer, klaar om toe te slaan wanneer ze de kans krijgt. Een van de redenen dat we de toestandsverveling zo verafschuwen, dat de lockdown het afgelopen jaar zo zwaar is geweest, is dat de toestandsverveling zomaar kan omslaan in de existentiële variant. Eerst is er slechts saaiheid: je ligt met je mobiel op de bank te scrollen door net niet interessante artikelen, en voor je het weet, bekruipt je de zinloosheid van het bestaan.

Om dat moment voor te zijn, blijven we bezig. Natuurlijk, we zijn ons bewust van de onvermijdelijkheid van negatieve emoties, van menselijke reacties op kleine en grote tegenslagen, maar emoties horen tijdelijk te zijn. Blijven ze langer, dan worden het problemen en problemen moet je oplossen. Mediteren. Twee stuks fruit per dag. Iedere avond een wandeling.

Wanneer ook dat geen effect heeft, zijn we ziek. Dan hebben we een psychiater nodig die ons medicijnen voorschrijft, of die in elk geval een naam geeft aan wat we voelen. Zodat we kunnen zeggen: dit is niet het echte leven, dit is het leven met X, en zodra ik X ben kwijtgeraakt, gaat het allemaal beginnen.

De populaire verklaring voor deze almaar groeiende behoefte aan psychische hulp is dat we te hard werken. Maar dat lijkt me een gebrekkig antwoord. Viktor Frankl overleefde een concentratiekamp en schreef later dat Nietzsche gelijk had toen hij zei dat wie een reden heeft om te leven, bijna alles kan verdragen. Als dat idee in Auschwitz standhoudt, dan moet het toch ook overeind blijven in een advocatenkantoor op de Zuidas.

Dit zeg ik niet om modern leed te relativeren. Het kan levensgevaarlijk zijn. Wie zichzelf blijft vertellen dat zijn omstandigheden ondraaglijk zijn, kan de behoefte voelen om er een eind aan te maken. Ook op de Zuidas.

Ik denk dus niet dat het lijden is ingebeeld – nog los van het feit dat het onderscheid tussen ingebeeld en werkelijk lijden vaag is. Ik denk alleen dat we tekortschieten in onze interpretaties van dit lijden. Omdat er een belangrijke oorzaak over het hoofd wordt gezien: existentiële verveling.

Psycholoog Flip Jan van Oenen heeft deze misvatting al eens treffend verwoord. In een gesprek met de Volkskrant zei hij: „Mijn eigen theorie is dat veel psychisch leed niet zozeer voortkomt uit overprikkeling door sociale media, zoals vaak wordt betoogd, maar juist uit onderprikkeling van ons overlevingssysteem.”

Volgens Van Oenen zijn we er evolutionair op gebouwd om gevaar te herkennen. Wanneer dat gevaar ontbreekt, gaan we die prikkels zelf aanmaken. We verzinnen de ergste verhalen bij ogenschijnlijk simpele tegenslagen. Zo maken we van de Zuidas zelf een concentratiekamp. Van Oenen vergeleek het met zeezeilers die beginnen te hallucineren wanneer ze voor langere tijd alleen water zien.

Die onderprikkeling, die verveling, is bij uitstek een welvaartsziekte, zoals de Nederlandse filosoof Awee Prins dat omschreef. Wanneer de meeste kwesties van leven en dood zijn uitgesteld tot na je tachtigste, en je zeker weet dat je iedere avond te eten krijgt, moet je zelf de betekenis verzinnen. En wat je zelf verzint, kun je net zo gemakkelijk bevragen, uitstellen of wegstrepen.

Maar existentiële verveling is vaag, ongrijpbaar. Dus kiezen we liever voor oorzaken die gemakkelijk zijn aan te wijzen. Van Oenen noemde er al één: sociale media zijn een favoriete zondebok. Het geluk van anderen maakt ons kapot. Verder is er dat harde werken, het wijdverbreide idee van een maakbaar leven, de maatschappelijke druk om succesvol te zijn – enzovoorts, enzovoorts.

Lees ook: Ja, het is nu saai, maar die oude onrust en fomo? Nooit weer

Ik voel weerzin bij zulke interpretaties omdat ze zijn gebaseerd op de dubieuze aanname dat we het tegenwoordig veel zwaarder hebben dan vroeger. Dat wij uniek zijn, ook in ons lijden. Dat onze ervaring fundamenteel verschilt van die van een schoenmaker in 1347. En hoewel dat op een oppervlakkige, technologische manier ook zo is, geloof ik daar op een fundamenteel niveau maar weinig van.

Wat wél is veranderd, is onze verhouding tot Tony’s vraag. Wanneer de schoenmaker zichzelf zou betrappen op het vermoeden dat er misschien niet meer dan alleen het betrekkelijk saaie hier en nu is, is er meteen een reactie: God. Hij heeft Tony’s vraag uit handen gegeven en vertrouwt erop dat het antwoord luidt: nee, natuurlijk is dit niet alles, er is nog veel meer, en na je dood zul je het krijgen.

Ook de schoenmaker zal dagen, weken, maanden hebben waarin hij geen enkele voldoening voelt. Maar hij zal zich nooit hoeven afvragen waar hij het eigenlijk allemaal voor doet. De zin van het leven is voor hem een gegeven.

Svendsen noemt existentiële verveling dan ook het hoofdprobleem van de moderne tijd. Daarvoor bestond ze ook al, maar was ze voorbehouden aan een kleine groep van adel en rijken. Svendsen vermoedt net als Prins dat de grote vragen je pas lastigvallen wanneer je het goed hebt, een luxeprobleem dat alleen de welgestelden zich kunnen veroorloven. De schoenmaker daarentegen werd nooit geconfronteerd met het besef dat de welgestelden ook maar wat deden – waaronder zich vervelen. Pas toen van tradities en religie afscheid werd genomen, en het individualisme haar intrede deed, werd men verantwoordelijk voor de eigen zingeving. En zo begon het grote vervelen.

De hedendaagse lezer, gewend aan de hulp van life coaches, spiritueel leiders en zelfhulpboeken, zal zich afvragen of er oplossingen zijn. Of er een manier is om de existentiële verveling te doen verdwijnen.

Maar in die vraag schuilt nu juist het probleem. Existentiële verveling is geen weeffout, geen ziekte, geen aandoening waar je vanaf moet zien te komen, maar een volstrekt normaal, doodsaai onderdeel van een gemiddeld mensenleven.

„Volwassen worden”, schrijft Svendsen, „betekent dat het leven niet in de tover van de kindertijd gevangen kan blijven. Dat het leven voor een zeker deel vervelend is, en niettemin de moeite waard. Dat lost natuurlijk niets op, maar verandert wel het probleem.”

Correctie 15 juni: In een eerdere versie van dit artikel stond de zinsnede: ‘Dan hebben we een psycholoog nodig die ons medicijnen voorschrijft’. Dit moet een psychiater zijn, een psycholoog mag geen medicatie voorschrijven.